Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Veel economen denken dat de centrale bank de geldhoeveelheid bepaalt door de banken te sturen bij de creatie van banksaldo (kredietgeld). Uit onderzoek blijkt echter steeds weer dat het tegendeel gebeurt, dat de banken naar eigen inzicht nieuw banksaldo creëeren, in ruil voor leenverklaringen, en dat centrale bank daar achteraan hobbelt door de banken van centrale bank geld te voorzien als ze daarom vragen. In dit artikel ga ik hier kort op in. 


Intermezzo - soorten geld

In het artikel Een fictief monetair systeem zagen we dat niet alleen fysiek geld (IOU's gecreëerd door de centrale bank) maar ook kredietgeld (IOU's gecreëerd door de banken) gebruikt kan worden voor het doen van betalingen. Samen vormen ze de geldhoeveelheid. Het fysieke geld dat door de centrale bank in omloop is gebracht wordt in jargon wel aangeduid als M0. Dat geld, en het door de banken gecreëerde banksaldo (kredietgeld) dat op  betaalrekeningen staat, worden samen aangeduid als M1

Economen onderscheiden ook nog M2 (M1 plus de IOU's die door de banken zijn gecreëerd en die op spaarrekeningen en spaardeposito's staan) en M3 (M2 plus saldo op deposito's die grote (financiële) instellingen bij elkaar aanhouden). Het onderscheid in M1, M2 en M3 wordt onder meer gemaakt omdat M2 en M3 minder snel beschikbaar zijn voor betalingen (minder liquide zijn) dan M1. Deze vier geldsoorten zijn samengevat in de volgende tabel.

Soort geld

M0

M1

M2

M3

Fysiek geld (centrale bank geld) in omloop

X

X

X

X

kredietgeld (bankgeld) op betaalrekeningen

 

X

X

X

kredietgeld op spaarrekeningen en deposito's

 

 

X

X

kredietgeld op deposito's die grote (financiele) instellingen bij elkaar aanhouden

 

 

 

X

In de volgende figuur (bron: FED) zijn M0 t/m M3 in de VS als percentage van de omvang van de nominale economie (het BNP) weergegeven. Duidelijk is dat M2 en M3 in relatieve zin constanter zijn dan M1. M3 wordt overigens sinds 2006 niet meer door de Amerikaanse centrale bank bijgehouden.



Reserves

In het voorgaande verhaal ontbreekt nog één geldsoort, die een cruciale rol speelt in de discussie over de vraag wie er nu eigenlijk aan de touwtjes trekt bij de sturing van de geldhoeveelheid. Die geldsoort is het saldo dat de banken aanhouden op hun rekeningen bij de centrale bank, de zogenaamde reserves. 

Deze reserves, de elektronische variant van fysiek geld, worden niet gerekend tot de geldhoeveelheid, omdat ze niet bruikbaar zijn voor betalingen tussen huishoudens en bedrijven onderling, maar alleen worden gebruikt bij betalingen, via de centrale bank, tussen de banken, de centrale bank en de overheid. Ze worden daarom niet meegeteld in de bepaling van M0 t/m M3. 

Het door de centrale bank uitgegeven fysieke geld en de reserves op de rekeningen die door de banken bij de centrale bank worden aangehoudenden, vormen samen het door de centrale bank gecreëerde geld. Dat geld wordt vaak aangeduid als monetaire basis, MB.


Endogeen of exogeen?

Terug naar de beantwoording van de vraag wie nu eigenlijk de geldhoeveelheid stuurt. Daarbij worden vaak de termen endogeen en exogeen gebruikt. Met exogeen wordt bedoeld dat de centrale bank als buitenstaander aan het roer zou staan, en de banken ertoe aanzet om meer of juist minder bankgeld te creëren. Met endogeen wordt daarentegen bedoeld dat de banken zelf wel bepalen of ze dat doen of niet, en dat de centrale bank daar geen directe invloed op uitoefent.

De money multiplier

Zoals in de aanhef van dit artikel is opgemerkt, stellen veel economen dat er sprake is van exogene sturing. Ze baseren die stelling op de volgende twee veronderstellingen: 

  • de centrale bank bepaalt de maximale kredietruimte die de banken hebben;
  • de banken vullen die kredietruimte steeds helemaal op.

Die eerste veronderstelling is gebaseerd op het gegeven dat veel centrale banken eisen stellen aan de minimale hoeveelheid reserves die een bank op zijn rekening bij de centrale bank moet aanhouden.  In jargon heet dat de reserve requirement, reservevereiste.

De reservevereiste wordt uitgedrukt als fractie van de uitstaande IOU’s, het opgetelde banksaldo op de rekeningen van de klanten van een bank. Een voorbeeld: als die reservevereiste 10% bedraagt, dan dienen de banken een bedrag aan reserves ter waarde van tenminste eentiende deel van het uitstaande banksaldo aan te houden bij de centrale bank. De multiplier is dan dus 10. 

Stel je nu voor dat een bank zijn reserves met 1 miljoen verhoogt, bijvoorbeeld door reserves te lenen van een andere bank of van de centrale bank. Bij een reserve vereiste van 10% kan ze dan het tienvoudige, dus tien miljoen, aan extra kredieten verstrekken en nog steeds aan die reservevereiste voldoen. Vandaar de term multiplier. 

Steeds meer centrale banken hebben de reservevereiste afgeschaft, bijvoorbeeld die van Canada, het VK, Nieuw Zeeland, Australie en Zweden, of hebben haar zover verlaagd dat ze weinig of geen betekenis meer heeft. De ECB hanteert bijvoorbeeld nog maar een vereiste van 1%. Bovendien gebruiken de centrale banken de reservevereiste niet als actief instrument om de geldhoeveelheid te sturen, en voorzien ze de banken van reserves als ze daarom vragen.


Endogeen dus!

Ondertussen is er de nodige statistische onderbouwing verkregen van de stelling dat het de banken zijn die de geldhoeveelheid sturen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit onderstaande grafiek, gebaseerd op onderzoek naar de conjunctuurcyclus in de VS door Nobelprijswinnaars Finn Kydland en Edward Prescott.

In de grafiek is het verband tussen enerzijds veranderingen in MB (monetaire basis), M1 en M2 en anderzijds veranderingen in de omvang van de economie aangegeven, waarbij de gegevens van MB, M1 en M2 ten opzichte van de gegevens over de omvang van de economie streeds een aantal kwartalen naar voren of juist naar achteren zijn geschoven. 


Uit de grafiek valt af te leiden dat:

  • als je de veranderingen in de omvang van de economie vergelijkt met de veranderingen in de omvang van M2 van ongeveer twee tot drie kwartalen ervoordat je dan het beste verband (de hoogste correlatie) vindt;
  • als je de veranderingen in de omvang van de economie vergelijkt met de veranderingen in de omvang van M1 van ongeveer een kwartaal ervoor, dat je dan het beste verband vindt, hoewel dat verband al veel minder duidelijk is dan het verband met M2;
  • als je de veranderingen in de omvang van de economie vergelijkt met de veranderingen in de omvang van de monetaire basis, dat je dan juist het beste verband vindt met veranderingen in MB die ongeveer nul tot een kwartaal achterlopen op de veranderingen in de omvang van de economie.

Met andere woorden, de omvang van de economie beweegt mee met veranderingen in de omvang van M2 die circa twee tot drie kwartalen daarvoor hebben plaatsgevonden. Dat betekent dat de veranderingen in de omvang van M2 leidend zijn ten opzichte van de veranderingen in de omvang van de economie, de conjunctuurcyclus.

Bij de monetaire basis is het precies andersom. De omvang ervan beweegt met een vertraging van 0 tot 1 kwartalen mee met veranderingen in de omvang van de economie. Anders gezegd, de conjunctuurcyclus is  leidend ten opzichte van de veranderingen in de omvang van de monetaire basis. 

Gelet op deze bevindingen is de conclusie onvermijdelijk: de banken lopen met hun kredietverstrekking voorop in de economische cyclus, de centrale bank hobbelt er juist achteraan. In de woorden van Kydland en Prescott: "There is no evidence that either the monetary base or M1 leads the cycle, although some economists still believe this monetary myth." 

Al met al betekent dit dat het vermogen van de centrale bank om de kredietverlening door de banken te sturen hetzij beperkt is, of dat het ze aan de wil ontbreekt om dat te doen. In het artikel MMT III - De centrale bank en de schatkist, wordt uitgelegd dat beiden het geval zijn. Een korte samenvatting:

  • Het huidige beleid van de centrale banken bestaat vooral uit het manipuleren van de rentestand, om daarmee de omvang van de economische activiteit en, in het verlengde daarvan, het niveau van de inflatie, te kunnen sturen.
  • Om die rentestand op het gewenste niveau te kunnen brengen en te kunnen houden, zijn de centrale banken genoodzaakt om alle reservevraag en reserveaanbod van de banken te honoreren, mits die niet leiden tot een afwijking van de rentestand van de doelrente.  
  • De centrale banken zouden in principe een  bovengrens kunnen stellen aan de kredietverlening van de banken (hoewel ze daarmee dus hun eigen rentebeleid in de wielen zouden rijden), maar ze kunnen de banken niet dwingen om die kredietruimte ook daadwerkelijk op te vullen. 


Wat denken de centrale bankiers er zelf van?

Dat de centrale bank niet aan het stuur zit wordt ook bevestigd door centrale bankiers. Zo stelde een bestuurder van de Amerikaanse centrale bank al in 1969: “The idea of a regular injection of reserves […] also suffers from a naive assumption that the banking system only expands loans after the System (or market factors) have put reserves in the banking system. In the real world, banks extend credit, creating deposits in the process, and look for the reserves later”. (Holmes 1969).

In het artikel MMT3 - De centrale bank en de schatikist ga ik nog wat verder in op de achtergronden van het hoe en waarom van het handelen van de centrale bank. In het volgende artikel Een reëel monetaire systeem ga ik nader in op de werking van ons moderne monetaire systeem.

Nawoord: in 2014 verscheen het rapport Money creation in the modern economy van de Bank of England, de Engelse centrale bank, waarin ze het voorgaande verhaal op heldere wijze bevestigt. Een citaat uit dit rapport: "Rather than banks receiving deposits when households save and then lending them out, bank lending creates deposits. In normal times, the central bank does not fix the amount of money in circulation, nor is central bank money ‘multiplied up’ into more loans and deposits."

© Anton van de Haar - september 2012


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.