Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Als het om de verklaring van het verschijnsel inflatie gaat, dan kun je niet om de volgende drie simpele feiten heen:

  1. het prijsniveau stijgt niet zomaar, dat gebeurt alleen als bedrijven hun prijzen verhogen
  2. bedrijven verhogen hun prijzen als hun kosten stijgen, of als ze meer winst willen maken
  3. maar dat lukt die bedrijven alleen als hun concurrentiepositie dat ook toelaat

Deze drie feiten zijn ieder voor zich onweerlegbaar. Het prijsniveau stijgt alleen als bedrijven hun prijzen verhogen, omdat het prijsniveau is gedefinieerd als een gewogen gemiddelde van die prijzen. Verder zijn er maar twee redenen waarom bedrijven hun prijzen willen verhogen, namelijk om hogere kosten terug te verdienen en om hun winstmarge te verbeteren. Meer smaken zijn er niet. En tot slot is het een onweerlegbaar feit dat bedrijven hun prijzen alleen maar kunnen verhogen als hun concurrentiepositie dat toelaat. Want anders dalen hun verkopen zodanig dat ze per saldo het tegendeel bereiken van wat ze hadden willen bereiken.

Daarom is het opmerkelijk dat de twee meest algemene theorieën over het ontstaan van inflatie aan deze drie feiten voorbij gaan, dan wel zijn gebaseerd op veronderstellingen over deze drie feiten die zacht gezegd tamelijk dubieus zijn. Die theorieën zijn de kwantiteitstheorie van het geld (ook wel bekend als het monetarisme) en de theorie van de adaptieve verwachtingen.

 

De kwantiteitstheorie van het geld

De kwantiteitstheorie van het geld komt in het kort neer op de veronderstelling dat de inflatie oploopt als de hoeveelheid geld in omloop sneller toeneemt dan het volume van geproduceerde goederen en diensten (het BBP). Dat kan worden samengevat met de volgende formule:

          inflatie = geldgroei – economische groei

Nu is het onmiskenbaar dat er een relatie tussen die drie bestaat. Dat is te zien in de volgende figuur (situatie in de VS; bron: FED).

 

Volgens de kwantiteitstheorie zou de rode lijn (een maat voor de inflatie) gelijk op moeten bewegen met de zwarte lijn (het verschil tussen de geldgroei en de productiegroei). En in grote lijnen is dat ook zo. Dat blijkt uit het min of meer samenvallen van de twee stippellijnen, die de 5-jaars voortschrijdende gemiddelden van die twee lijnen weergeven. Wel is het zo dat die samenloop na 1990 veel minder duidelijk is geworden.

Het probleem met de kwantiteitstheorie is dat ze niet verklaart waarom er inflatie zou moeten optreden als de geldgroei hoger is dan de economische groei. Of beter gezegd, waarom bedrijven ineens hun prijzen zouden willen verhogen, en ook zouden kunnen verhogen, als de geldgroei groter uitvalt dan de economische groei. Op die vraag geeft de kwantiteitstheorie geen antwoord.

Het is echter niet zo heel moeilijk om een mechanisme te bedenken waarmee dat verband wel kan worden gelegd, zij het dat de causaliteit geldgroei > inflatie dan omdraait naar inflatie > geldgroei. Dat mechanisme kan in twee woorden worden samengevat: endogene geldgroei.

Volgens de meeste mainstream economen zijn de banken weliswaar de belangrijkste geldscheppers, maar wordt hun geldschepping gestuurd door de centrale bank, via het mechanisme van de money multiplier: exogene geldgroei. De praktijk is echter precies andersom. De banken en hun klanten sturen die geldschepping. Als een klant geld wil lenen en zijn bank hem daarvoor kredietwaardig genoeg acht, dan creëert die bank dat geld voor die klant op zijn bankrekening, in ruil voor een leenovereenkomst. Dat is endogene geldgroei. De centrale bank faciliteert dit proces. Het hoe en waarom daarvan wordt uitgelegd in het artikel MMT III – De centrale bank en de schatkist.

Terug naar het verband tussen geldgroei, economische groei en inflatie. In het proces van economische groei gaan de lasten voor de baten uit. Bedrijven moeten investeren in voorraden en productiecapaciteit om die groei überhaupt mogelijk kunnen te maken. En dat doen ze deels met van de bank geleend geld. Iets dergelijks geldt ook voor huishoudens, die geld van de bank lenen om grote uitgaven te kunnen doen, bijvoorbeeld de aankoop van een nieuwe woning of auto.

Met andere woorden, de groeilasten (leningen) gaan voor de feitelijke groei uit, en daarmee gaat ook de groei van de geldhoeveelheid voor de feitelijke groei uit. En omdat die bedrijven en huishoudens nu eenmaal die uitgaven doen tegen het op dat moment gangbare prijsniveau, ontstaat het in de grafiek getoonde verband tussen inflatie, geldgroei en productiegroei.

Kort samengevat: inflatie ontstaat niet omdat de geldhoeveelheid sneller groeit dan de productiegroei, maar de geldhoeveelheid groeit omdat de productie groeit en/of omdat er inflatie optreedt.

Nu zullen mainstream economen hier tegeninbrengen: deze redenering klopt niet, want de inflatie wordt Granger-veroorzaakt door de geldgroei minus de productiegroei. Daarmee willen ze zeggen dat variaties in geldgroei vooruitlopen op variaties in het niveau van de inflatie (zie voor een korte uitleg het kader hierna). Dat argument vervalt echter als zowel de inflatie als de geldgroei worden veroorzaakt door de productiegroei, maar de inflatie daar langzamer op reageert dan de geldgroei.

  


Adaptieve verwachtingen

De tweede theorie die ik hiervoor noemde, de theorie van de adaptieve verwachtingen, komt erop neer dat inflatie in de eerste plaats zou worden veroorzaakt door inflatieverwachtingen van werknemers en werkgevers. Die zouden ervan uitgaan dat de inflatie in de komende periode onveranderd blijft, en daarom aansturen op een loon- en prijsaanpassing die gelijk is aan de loon- en prijsaanpassing in de vorige periode.

De enige factoren die deze verwachtingen en de daarop gebaseerde loon- en prijsaanpassingen zouden kunnen verstoren, zijn externe schokken (vooral stijgingen of dalingen van prijzen van belangrijke importproducten, bijvoorbeeld olie), en verschuivingen van de machtsverhoudingen tussen werknemers en werkgevers, als gevolg van een veranderend werkloosheidsniveau.

Meer specifiek komt dat laatste erop neer dat verondersteld wordt dat er een werkloosheidsniveau bestaat waarbij de onderhandelingspositie van werknemers en werkgevers in evenwicht is, waarbij beide partijen dus zouden overeenkomen om de lonen te laten stijgen in lijn met de verwachte inflatie, dus met de inflatie in de voorgaande periode. Dat neutrale werkloosheidsniveau wordt wel aangeduid als de NAIRU (Non-Accellerating Inflation Rate of Unemployment).

ls de werkloosheid oploopt tot boven de NAIRU, dan leidt dat tot een sterkere positie van de werkgevers, waardoor de loongroei (productiviteitsstijgingen in acht nemend) afneemt ten opzichte van de loongroei in de voorgaande periode, en de inflatie daalt. Omgekeerd, als de werkloosheid daalt tot onder de NAIRU, dan leidt dat tot een sterkere positie van de werknemers waardoor de loongroei in relatieve zin juist toeneemt, waardoor de inflatie stijgt.

NB. Sommige mainstream economen gaan zelfs zo ver om te veronderstellen dat er niet alleen zoiets als een NAIRU bestaat, maar dat de werkloosheid bovendien de neiging heeft om als vanzelf naar die NAIRU toe te bewegen, dus dat het een natuurlijk niveau van werkloosheid betreft. Op basis van deze veronderstelling adviseren ze overheden om niet te proberen de werkloosheid te bestrijden, omdat dit per saldo slechts tot een toename van de inflatie zou leiden.

Het manco van de adaptieve verwachtingen theorie is dat uit onderzoek naar loononderhandelingen blijkt dat niet compensatie van verwachte inflatie, maar compensatie van al eerder opgetreden inflatie de inzet van de werknemers is. Bovendien blijkt uit statistisch onderzoek dat de onzekerheidsmarges met betrekking tot de ligging van de NAIRU zo groot zijn, dat het concept van de NAIRU in de praktijk niet bruikbaar is.

Al met al sluit de adaptieve verwachtingen theorie in theorie wel aan bij de drie fundamentele feiten, maar sluit ze er in de praktijk niet bij aan, waardoor ze nier bruikbaar is. 

 

Maar hoe zit het dan wel? – het opmerkelijke werk van Ivan Kitov

Tot nu toe is de vraag hoe die inflatie dan wél ontstaat onbeantwoord gebleven. Anders gezegd, wat is dan wél het mechanisme dat het bedrijven mogelijk maakt om hun prijzen te verhogen zonder dat ze daarvoor afgestraft worden met een winstdaling? En in het verlengde daarvan, waarom loopt de inflatie dan achter op de geldgroei, zoals mainstream economen terecht constateren?

Door de Russische fysicus Ivan Kitov, medewerker van de Russische Academie van Wetenschappen, is een interessante alternatieve hypothese ontwikkeld waarmee die vragen kunnen worden beantwoord. De aanleiding van zijn hypothese is de observatie dat veel fysische, biologische en sociale processen fundamentele overeenkomsten vertonen, waarbij machtsfunctieverdelingen, toevalsprocessen en het daaruit voortkomende fenomeen van zelf-organiserende criticaliteit een rol spelen.

Een mooi voorbeeld van zelf-organiserende criticaliteit dat veel mensen wel kennen is het zandhoopje dat steeds hoger en steiler wordt als je er zand op laat vallen. Dat gaat goed totdat er een zekere kritische steilheid is bereikt en er een serie van zandlawinetjes op gang komt, zodat de vorm van de zandhoop terugkeert naar een zeker basisprofiel, een proces dat zich alsmaar blijft herhalen als je er meer zand op laat vallen.

Kitov constateerde dat er ook zoiets aan de hand lijkt te zijn met de verdeling van het gemiddeld inkomen per leeftijdsgroep, de personal income distribution (PID). Hij stelde vast dat de vorm van de  PID machtsfuncties volgt, dat die vorm door economische ontwikkelingen tijdelijk kan veranderen, maar dat ze steeds weer terugkeert naar een zekere basisvorm, net als het zandhoopje hiervoor, en dat dit leidt tot een gestegen gemiddeld loonniveau. In zandhoopjes-termen vertaald: als de PID zich herschikt, dan schuift het zand niet omlaag, maar juist omhoog.

In de volgende figuur zijn als voorbeeld recente PID’s van een aantal westerse landen getoond, genormaliseerd op de leeftijdsgroep met het hoogste inkomen (m.a.w. het gemiddelde loon van elke leeftijdsgroep is gedeeld door het gemiddelde loon van de leeftijdsgroep met het hoogste gemiddelde loon; bron: National Transfer Accounts Project, Berkeley e.a.).

 

Op basis van zijn observaties ontwikkelde Kitov een mechanisme om het ontstaan van inflatie te verklaren als het resultaat van de herschikking van de PID, afgeleid van een geofysisch model waarmee het vervormen van gesteente onder invloed van stress wordt beschreven. Het gaat veel te ver om dit model hier te beschrijven, mede omdat het nogal wiskundig van aard is. Een nadere uitleg is te vinden in dit artikel van Kitov

Overigens is het model van Kitov instrumentalistisch van aard, zodat er niet uit valt af te leiden wat er nu precies gebeurt in termen van menselijke handelingen. Een mogelijk onderliggend mechanisme zou kunnen zijn dat bedrijven door de sterke expansie die gepaard gaat met een sterke groei van de beroepsbevolking geconfronteerd worden met relatief sterke loonstijgingen doordat personeel voor een hoger loon intern of extern naar een nieuwe, beter betaalde functie verkast (loon-loon inflatie).

De conclusie die Kitov uit zijn model trekt, in mijn woorden, kort door de bocht, is dat het tempo van de netto instroom van mensen in de beroepsbevolking (= werkenden + werklozen) het herschikkingstempo van de PID bepaalt, en daarmee het niveau van de inflatie. Maar omdat die herschikking en de doorwerking ervan op de lonen en vervolgens de prijzen enige tijd vergt, volgt de ontwikkeling van de inflatie de ontwikkeling van dat instroomtempo in de regel met enige vertraging.

Deze conclusie zette Kitov ertoe aan om aan met behulp van Granger causaliteitstests te onderzoeken in hoeverre variaties in de groei van de beroepsbevolking in verschillende landen in de tijd samenhangen met het niveau van de inflatie. En daaruit leidde hij af dat in veel landen de variatie in groeitempo van de beroepsbevolking inderdaad enige tijd vooruit loopt op de variatie in inflatie.

Deze observatie is te zien in de volgende twee figuren, waarin de CPI-inflatie in de VS (bron: FRED) en in Canada (C, bron: OECD) ) is vergeleken met de groei van de beroepsbevolking twee jaar daarvoor (dLF(t-2)/LF(t-2)). De stippellijnen zijn 5-jaars voortschrijdende gemiddelden. De aangegeven vergelijkingen zijn van Kitov. LF staat voor de omvang van de beroepsbevolking, dLF staat voor haar verandering op jaarbasis, en t-x voor de vertraging in jaren, in beide gevallen 2 jaar.

 

 

Wat je ziet is dat de inflatie in de VS en in Canada in de periode 1955 – heden goed gelijk op beweegt met de groei van de beroepsbevolking twee jaar daarvoor, hoewel dat verband in de VS na 2010 verstoord wordt. Kitov vond dergelijke verbanden ook voor andere westerse landen en voor Japan, zij het met varierende vertragingen en coëfficiënten. Al met al verklaart het model van Kitov waarom er inflatie optreedt en waarom de geldgroei vooruit loopt op de inflatie. 

Kitov stuitte bij zijn werk op de nodige problemen omdat in veel landen de wijze van vaststelling van de omvang van de beroepsbevolking, de inflatie en van andere economische variabelen in de loop van de tijd vaak meermaals is aangepast, wat leidt tot sprongen (structural breaks) in de omvang van die beroepsbevolking, van het niveau van die inflatie en van het niveau van die andere economische variabelen. Die sprongen moesten worden rechtgetrokken, vaak met de nodige moeite.

Wat dat laatste punt betreft krijgt vooral Nederland er van Kitov van langs: “For the Netherlands, two different time series are available for unemployment and labor force – according to national (NAC) definition and the US concept. [...] The difference in the measures of labor force is outstanding, especially around 1980 and 1990. One should not tolerate such a discrepancy. Otherwise, no quantitative analysis is possible and economics will never have a chance to join the club of the hard sciences.”

Het door Kitov gevonden verband is te opmerkelijk om te worden genegeerd door de mainstream economische wetenschap, temeer omdat Kitov het koppelt aan een op zichzelf realistisch klinkend mechanisme, namelijk de ontwikkeling van de PID als gevolg van de groei van de beroepsbevolking. Maar toch is precies dat het geval: ik heb geen enkele mainstream referentie naar zijn onderzoek gevonden.

Dat het werk van Kitov zo wordt genegeerd is een treurige zaak, vooral omdat de sturing van de inflatie als economisch beleidsinstrument met stip op nummer 1 staat. Met andere woorden, het is cruciaal om te begrijpen waarom de inflatie zich ontwikkelt zoals ze dat doet. Een goed voorbeeld daarvan is Japan.

Omdat uit het Kitov model volgt dat de inflatie het gevolg is van de ontwikkeling van de omvang van de beroepsbevolking, kan aan de hand van demografische extrapolaties ook in enige mate worden voorspeld hoe die inflatie zich zal ontwikkelen. En precies dat heeft Kitov in 2013 gedaan voor Japan, wat is getoond in de volgende grafiek.

 

De witte bolletjes geven de feitelijke ontwikkeling van de inflatie weer, in dit geval de GDP deflator, een economie-brede inflatie index (de CPI geeft de ontwikkeling van de consumentenprijzen weer, maar komt in de regel goed overeen met de GDP deflator). De zwarte bolletjes tonen de verwachte inflatie op basis van de ontwikkeling van de beroepsbevolking. De rode driehoekjes, tot slot, geven het verloop van de verwachte toekomstige inflatie weer, op basis van de verwachte ontwikkeling van de beroepsbevolking, gebaseerd op een demografische extrapolatie. In werkelijkheid zal dat verloop natuurlijk veel grilliger zijn, als gevolg van het effect van hausses en recessies op de ontwikkeling van de beroepsbevolking, zoals je die ook ziet in de periode 1980 – heden.

De conclusie die je uit de voorgaande figuur kunt trekken is dat Japan in de komende decennia per saldo chronische en toenemende deflatie te verwachten staat, tenzij ze er op de een of andere manier in slaagt om de krimp van de beroepsbevolking tot staan te brengen, of er op een andere manier in slaagt om de inflatie aan te wakkeren. En dat is hard nodig om de gigantische schuldenberg van de Japanse overheid en private sector nog enigszins onder controle te kunnen houden.

 

Andere inflatiemechanismen

Terug naar de drie onweerlegbare feiten aan het begin van dit artikel. Kitovs inflatiemechanisme kan worden verklaard als het gevolg van een marktbrede stijging van de loonkosten van de bedrijven, die ze kunnen verdisconteren in hun prijzen omdat ze allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Maar gelet op die drie onweerlegbare feiten kunnen er nog meer mechanismen worden bedacht die kunnen leiden tot inflatie, bijvoorbeeld winstinflatie en importprijsinflatie.

Winstinflatie kan optreden in een situatie waarin de vraag naar producten zodanig is opgelopen dat de bedrijven de vraag naar die producten niet meer kunnen bijbenen. In die situatie van algemene schaarstse hebben ze de ruimte om hun prijzen te verhogen. 

Dit mechanisme zou kunnen worden ingezet om een schuldenzeepbel zoals degene waar we nu inzitten te bestrijden, zonder in een schuld deflatie a la de grote depressie 1929-1933 terecht te komen. En wel met een Modern Debt Jubilee (MDJ), waarbij de centrale bank een grote som geld aan de huishoudens verstrekt, met de verplichting daar allereerst bestaande schulden mee af te lossen.

Importprijsinflatie kan optreden in een situatie waarin de importprijzen sterk oplopen als gevolg van een sterke koersdaling van de eigen munt. Dit is het mechanisme dat achter de meeste gevallen van hyperinflatie zit, waarin de overheid een zeer fors fiscaal tekort heeft laten ontstaan en dat tekort vervolgens financiert met nieuw door de centrale bank gecreëerd geld (het “aanzetten” van de geldpers), meestal door de centrale bank de door de overheid uitgegeven schuld te laten opkopen.

Dit standaard hyperinflatie scenario heeft in de regel de volgende kenmerken:

  • de hyperinflatie gaat gepaard met een extreme daling van de koers van de eigen munt, omdat het nieuw gecreëerde geld en voor speculatieve doeleinden geleend geld in hoog tempo worden ingewisseld tegen andere valuta;
  • door die extreme wisselkoersdaling treedt er tevens een extreme inflatie van de importprijzen op, waarbij de inflatie van deze importprijzen initieel in de regel hoger is dan de binnenlandse inflatie;
  • het tempo van geldontwaarding is gemiddeld genomen groter dan het tempo waarin de overheid nieuw geld creëert om haar tekorten te dekken;
  • door dat hogere tempo van geldontwaarding treedt er een forse daling op van de reële waarde (koopkracht) van de totale geldhoeveelheid;
  • bij het stoppen van de hyperinflatie speelt het beëindigen van de excessieve creatie van nieuw geld voor de dekking van de overheidstekorten (het “uitzetten” van de geldpers) een sleutelrol;
  • nadat de hyperinflatie is gestopt, treedt er in de regel nog een aanzienlijke verdere groei van de geldhoeveelheid op, die echter niet gepaard gaat met veel inflatie, waardoor de reële waarde van de totale geldhoeveelheid weer richting het niveau van voor de hyperinflatie beweegt (herstel van de koopkracht).

Een goed voorbeeld van zo’n hyperinflatie is de Weimar hyperinflatie, waarvan een aantal kengetallen is samengevat in de volgende figuur (bron: Bresciani-Turroni, Ray Dalio; okt-1918 = 100).


Wat je ziet is dat het groei van het prijsniveau steeds achterblijft bij de groei van de dollar/mark wisselkoers en de importprijzen, en dat de groei van de monetaire basis (het door de centrale bank voor de tekortfinanciering gecreëerde geld) en de groei van de daar tegenover staande staatsschuld steeds achterblijven bij de groei van het prijsniveau. Overigens is voor de leesbaarheid van de grafiek het laatste, meest extreme deel van de hyperinflatie, in de paar maanden van juli t/m november 1913, uit de grafiek weggelaten. Had ik die paar maanden nog toegevoegd, dan had ik de verticale schaal moeten laten doorlopen naar 100.000.000.000.000, een factor 100.000.000 meer dus!

Al deze observaties zijn, gelet op de drie onweerlegbare feiten, maar op één manier te verklaren, en dat is dat het geld uit de geldpers weliswaar de voedingsbron van de hyperinflatie was, maar dat de waardedaling van de eigen munt als gevolg van het inwisselen van al dat geld in buitenlandse valuta en de daardoor veroorzaakte importprijsinflatie, nog versterkt door speculatie met geleend geld, het feitelijke mechanisme van de hyperinflatie was. 

Die importprijsinflatie leidde tot algemene en forse stijgingen van de inkoopkosten van bedrijven, waardoor ze in staat waren om deze kosten in hun prijzen te verrekenen. Daar kwam nog bij dat al die bedrijven, toen de hyperinflatie eenmaal goed op gang kwam, werden geconfronteerd met sterk stijgende financieringskosten, vanwege de constante waardedaling van hun werkkapitaal, kosten die ze eveneens konden verrekenen in hun prijzen. En dat zijn heel andere verklaringen dan de standaard kwantiteitstheorie verklaring dat de hyperinflatie veroorzaakt werd door die geldpers. 

Overigens, een absolute aanrader om te lezen over de Weimar hyperinflatie: het pakkende boek When money dies: the nightmare of the Weimar collapse van de Engelse journalist en politicus Adam Fergusson. Een ander interessant boek over wat zich in die periode in de financiele wereld afspeelde is Lords of Finance van Liaquat Ahamed, die voor dat boek de Pulitzer prijs won.

© Anton van de Haar, december 2014



Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.