Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Onze banken hebben een belangrijke nutsfunctie. Ze dienen als monetaire verkeersregelaars, met als taak om ons betalingsverkeer in goede banen te leiden en om kredieten te verlenen waar deze het hoogste economische rendement opleveren. Voor de uitvoering van die maatschappelijke taak hebben ze van onze overheid een kostbaar bezit gekregen: een bankvergunning.


Toegevoegde waarde?

Verrichten de banken die taak eigenlijk wel goed? En hoe wordt dat vastgesteld? Om met die laatste vraag te beginnen, dat doet het CBS door de waarde te meten die de banken aan onze economie toevoegen. In de volgende figuur is de ontwikkeling volgens het CBS van die toegevoegde waarde aangegeven, uitgedrukt in procenten van de omvang van de Nederlandse economie, het bbp. 

 

Dat zie er goed uit. Weliswaar een dipje door de crisis, maar daarna weer gewoon verder omhoog, van 2% van de omvang van onze economie in1970 naar zo’n 6% nu, een factor 3 vebeterd. Heel overtuigend! Toch?

Wat meet het CBS eigenlijk als ze die toegevoegde waarde vaststelt? Wat ze meet is het bedrag dat de banken ons in rekening brengen, vooral rente op leningen, minus het bedrag dat de banken aan ons betalen, vooral rente op spaargeld. Met andere woorden, de netto geldstroom die van ons naar de banken gaat. Maar dat is geen toegevoegde waarde, dat is onttrokken waarde!

 

Maatschappelijk inefficiënte kredietverlening

Terug naar de figuur hierboven. Wat je eruit kunt afleiden is dat de banken er sinds 1970 in zijn geslaagd om een steeds groter deel af te romen van ons nationale inkomen, het geld dat we met z’n allen verdienen. In 1970 was dat nog zo'n 2%, maar zo’n veertig jaar later hadden ze dat al weten te verdrievoudigen, tot circa 6% van ons gezamenlijke inkomen.

Anders gezegd, in de afgelopen decennia zijn de banken erin geslaagd om ons steeds meer geld te laten betalen voor hun dienstverlening. Hoe is dat mogelijk? De banken hebben de laatste jaren hun kantorennetwerk steeds verder ingekrompen en het betalingsverkeer is ondertussen grotendeels geautomatiseerd, daar komt steeds minder personeel bij kijken. Waar moeten we dan eigenlijk steeds meer geld voor betalen?

Het antwoord op die vraag kun je vinden door te kijken naar het effect dat de kredietverlening door de banken sinds 1970 heeft gehad op de groei van de economie. Of beter gezegd, hoe de schuldgroei zich heeft verhouden tot de economische groei.

Omdat ik niet beschik over langjarige gegevens van de totale schuldontwikkeling in Nederland, heb ik gekeken naar de situatie in de VS. Die is te zien in het volgende plaatje, waarin de opgetelde schuld van de huishoudens, de bedrijven en de overheid in de VS is aangegeven, uitgedrukt als percentage van de omvang van de Amerikaanse economie (bron: FED). De situatie in Nederland is vergelijkbaar.

 

Wat je ziet is dat die schuld in de periode tussen 1950 en 1980 min of meer stabiel was, rond anderhalf keer de omvang van de Amerikaanse economie, het GDP (bbp). Dat betekent dat de schuldgroei in die periode ruwweg gelijk op ging met de groei van de omvang van de Amerikaanse economie. Na 1980 veranderde dat echter en versnelde de schuldgroei ten opzichte van de economische groei. Het effect daarvan is goed te zien in het volgende plaatje (bron: FED).

 

Uit dit laatste plaatje blijkt dat in de periode tot 1980 een dollar schuldgroei leidde tot gemiddeld zo’n 65 cent economische groei. Na 1980 is die verhouding gestaag weggezakt, tot minder dan 20 cent economische groei per dollar schuldgroei vlak voor de kredietcrisis. De scherpe dip tijdens de crisis werd veroorzaakt doordat de Amerikaanse overheid zich gedwongen zag om veel geld te lenen en in een krimpende economie te pompen, om een depressie af te wenden.

Wat betekent dit concreet? Het betekent dat de kredietverlening steeds inefficienter is geworden, waardoor er tegenover elke euro die we met z’n allen verdienen een steeds groter bedrag aan schuld is komen te staan. En dat heeft als gevolg gehad dat de rentekosten van die schuld per verdiende euro steeds verder zijn opgelopen. Dat is in een notendop wat er is gebeurd. 

Waar komt dat door? Dat komt doordat de banken na 1980 relatief steeds minder geld zijn gaan uitlenen aan de bedrijven die nieuwe producten maken en de huishoudens die deze nieuwe producten kopen (de zogenaamde reële sector), en relatief steeds meer geld zijn gaan uitlenen voor de aankoop van financiële producten en bestaand onroerend goed.

Extra krediet aan de reële sector leidt tot meer en efficiëntere productiecapaciteit, tot meer banen, tot meer inkomen voor de huishoudens en daardoor tot meer consumptie. Met andere woorden, tot economische groei. Extra krediet voor de aankoop van financiële producten en bestaand onroerend goed leidt echter nauwelijks tot economische groei. Maar het leidt wel tot stijgende prijzen van aandelen, obligaties en bestaand onroerend goed.

Op zichzelf is er niets mis met kredietverlening voor de aankoop van financiële producten en bestaand onroerend goed. Het wordt pas een probleem als die kredietverlening niet meer in verhouding staat tot de kredietstroom naar de reële sector. Dat is weliswaar goed voor flinke winsten (= hoge “toegevoegde waarde”) in de bankensector, maar het leidt ook tot zeepbellen op allerhande markten, zeepbellen die uiteindelijk uitmonden in financiële crises en economische stagnatie.

Een goed voorbeeld daarvan is onze eigen huizenmarkt. In de volgende grafiek (bron: Beursplaza) is de ontwikkeling na 1965 aangegeven van de reële (voor inflatie gecorrigeerde) huizenprijzen. Uit onderzoek van professor Piet Eichholz van de universiteit van Maastricht bleek dat die reële huizenprijzen in de afgelopen eeuwen min of meer constant waren.

 

Uit de figuur blijkt echter dat die reële huizenprijzen, na een korte oprisping rond 1980, in de afgelopen dertig jaar met zo’n 160% zijn gestegen. Dat is een flinke breuk met die zeer lange termijn trend van constante reële huizenprijzen van Piet Eichholz. Die trendbreuk is overigens mooi geïllustreerd in de volgende link.

Het grootste deel van die 160% stijging vond plaats tussen 1990 en 2007. In die tijd steeg de omvang van de hypotheekschuld ten opzichte van de omvang van de economie eveneens met zo’n 160%, van rond de 40% tot iets boven de 100% van het bbp. En dat is geen toeval: door steeds makkelijker steeds hogere hypotheken te verstrekken hebben de banken de huizenprijzen en de hypotheekschuld na 1990 fors opgepompt.

Wat voor voordeel hebben die banken daarbij? Het antwoord is simpel: hoe meer leningen een bank verstrekt, hoe groter haar inkomsten uit rente. Het loont voor een bank en haar bankiers daarom om zeepbellen te blazen: meer en grotere zeepbellen = meer rente-inkomsten = meer winst = hogere bonussen. Daar komt het simpelweg op neer. 

Daar kwam voor de bankiers nog een onverwachte bonus bij: de overheden bleken ook nog eens bereid om de schade van knappende zeepbellen te verhalen op de belastingbetaler in plaats van op de banken en hun bankiers. Hoe lekker wil je het hebben?

 

Het dubieuze verdienmodel van onze banken

Het verdienmodel van onze banken en haar bankiers is na 1980 al met al verworden van een belangrijke maatschappelijke taak, namelijk het financieren van de reële sector, tot het voor eigen gewin blazen van zeepbellen op allerhande markten. Voor de banken en de bankiers was het – en is het nog steeds – bijzonder lucratief, maar voor de economie als geheel en voor de gemiddelde burger heeft dat desastreus uitgepakt.

Het zal duidelijk zijn dat de bankiers zich deze kip met de gouden eieren niet zomaar zullen laten afpakken. Ze zullen al hun financiële middelen en al hun lobbykracht inzetten om dat te voorkomen. En tot nu toe slagen ze daar goed in, vooral ook omdat de meeste mensen, politici incluis, geen flauw idee hebben wat er nu eigenlijk aan de hand is.

Een treurig voorbeeld daarvan is wel het feit dat nota bene onze eigen CBS de opbrengsten van het bellen blazen door de banken en hun bankiers als toegevoegde waarde bestempelt.

© Anton van de Haar - november 2013


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.