Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

In het vorige artikel is het model OPEN uitgewerkt en in Vensim gezet. Uit dat artikel bleek dat OPEN grotendeels overeenkomt met REG. Het belangrijkste verschil met REG is dat de twee regio’s nu aparte landen zijn geworden, met ieder hun eigen overheid, centrale bank en munt. In aanvulling daarop is verondersteld dat onevenwichtige handelsstromen, net als in de tijd van de goudstandaard, worden verrekend met goudreserves.

In dit artikel worden twee scenario’s bekeken die ook al in het artikel REG – II waren bestudeerd:

  1. een toename van de geneigdheid om te importeren in Zuid;
  2. een toename van de geneigdheid om te sparen in Zuid.

De meeste exogene variabelen in OPEN zijn overgenomen van REG. Bij de berekeningen hebben ze dezelfde waarde gekregen als in REG, tenzij anders is vermeld. Voor de in OPEN nieuw geïntroduceerde exogene variabelen zijn voor het gemak de volgende waarden gebruikt: wisselkoers Noord/Zuid (xr) = 1 en goudprijs Noord (pAN) = 1.

Doordat de exogene variabelen voor de beide landen initieel dezelfde waarden hebben gekregen is de ontwikkeling van de beide landen initieel identiek, net als de ontwikkeling van de beide regio’s in REG initieel identiek was. Daardoor is er tevens sprake van gebalanceerde handel. Dat verandert echter in de navolgde scenario’s.


Scenario 1: Een toename van de geneigdheid om te importeren in Zuid

In dit voorbeeld wordt een toename van de geneigdheid tot importeren in het land Zuid doorgerekend. Daartoe wordt die geneigdheid in periode 50 blijvend verhoogd van 0,1 naar 0,11. De resultaten daarvan zijn hieronder getoond.


Als je deze grafieken vergelijkt met die van hetzelfde scenario in REG, dan zie je dat het effect op de productie en op het vermogen van de huishoudens in Noord en Zuid exact hetzelfde als in REG. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de handelsbalans. En dat is ook logisch, omdat deze onderdelen ten opzichte van REG onveranderd zijn gebleven.

Wat echter wél veranderd, is de ontwikkeling van de staatsschuld. Wat je ziet is dat Zuid na de verhoging van de geneigdheid tot importeren een gestaag oplopende schuld laat zien. Tegelijkertijd dalen de goudreserves van Zuid in hetzelfde tempo en loopt het bezit aan bills in handen van de centrale bank in Zuid in eenzelfde tempo op. De ontwikkelingen in Noord zijn tegelijkertijd het spiegelbeeld van die in Zuid.

Dalende goudreserves

De oorzaak van de dalende goudreserves in Zuid is eenvoudig. De netto import in Zuid wordt betaald in de valuta van Noord, die de zuidelijke huishoudens kopen van de centrale bank van Zuid, in ruil voor valuta van Zuid. De centrale bank van Zuid koopt op haar beurt die valuta van Noord van de centrale bank van Noord, in ruil voor goudreserves.

Het netto effect hiervan, dat zal duidelijk zijn, is dat de goudreserves van Zuid bij een aanhoudend handelstekort gestaag afnemen, in een tempo dat gelijk is aan het tempo van de netto import in Zuid. Uiteindelijk kan daardoor de bodem van de goudreserves van Zuid in zicht komen, een moment waarop de overheid van Zuid drastische maatregelen zal moeten nemen.

G&L wijzen erop dat zo’n noodsituatie is niet bepaald denkbeeldig is, wat blijkt uit de gebeurtenissen in Groot Brittannië in 1931. De Britten waren toen, eveneens als gevolg van een chronisch handelstekort, geheel door hun reserves heen geraakt, wat ze ertoe dwong om de toenmalige goudstandaard te verlaten.

Oplopende staatsschuld

De oorzaak van de dalende goudreserves in zo´n situatie van een aanhoudend handelstekort is wel duidelijk, maar waarom loopt tegelijkertijd ook de staatsschuld op, en in dezelfde mate bovendien? Die vraag is feitelijk al beantwoord in het artikel REG – I. Daarin is afgeleid dat steeds moet gelden dat:

          ΔVZ + (TZ – GZT) + ( XN – IMN) = 0

In deze vergelijking staat ΔVZ voor de balans van de zuidelijke huishoudens, TZ – GZT voor de balans van de zuidelijke overheid en XN – IMN voor de balans buitenland, in dit geval dus het land Noord. Nu geldt dat in een geval van dynamisch evenwicht, waarin het systeem blijkens de plaatjes na enige perioden terechtkomt, ΔVZ daalt tot nul, zodat geldt dat:

          TZ – GZT = – ( XN – IMN)

          TZ – GZT = XZ – IMZ

Met andere woorden, het begrotingstekort van Zuid is in een situatie van dynamisch evenwicht steeds gelijk aan het handelstekort van zuid, dat weer gelijk is aan het tempo van afname van de goudreserves.

NB. De term dynamisch evenwicht is hier heel relatief, want dat evenwicht kan slechts zolang duren als Zuid beschikt over goudreserves. Op het moment dat de goudreserves uitgeput zijn kan Zuid de goudstandaard niet langer handhaven. Dat is als al opgemerkt precies de situatie waarmee Groot Brittannië zich in 1931 geconfronteerd zag. De term pseudo-dynamisch evenwicht is hier daarom beter op zijn plaats.

Stabiele centrale bank balans

Een andere vraag die opkomt bij de voorgaande grafieken is waarom in een situatie van een aanhoudend handelstekort de hoeveelheid bills in handen van de centrale bank gestaag oploopt. De oorzaak daarvan is eveneens tamelijk simpel. Doordat de overheid van Zuid zich geconfronteerd ziet met een hardnekkig begrotingstekort, moet ze een gestage stroom bills aan de huishoudens verkopen om dat tekort te kunnen financieren.

De geneigdheid van de huishoudens om bills aan te houden is echter niet veranderd. Dat betekent, althans aannemende dat de centrale bank de rente op hetzelfde niveau wil houden, dat deze zich dan genoodzaakt zal zien om een gestaag aanbod aan bills van de huishoudens te absorberen, in een tempo dat gelijk is aan het tempo waarin de overheid bills aan de huishoudens verkoopt om haar tekort te dekken.

Tegelijkertijd dalen de goudreserves van de centrale bank van Zuid gestaag, in een tempo dat in een situatie van dynamisch evenwicht gelijk is aan het tempo van de stijging van het bezit aan bills van de centrale bank van Zuid. Haar balans blijft daardoor per saldo stabiel.


Verwerping van het Mundell-Fleming model

Zoals we hiervoor zagen leidt het ontstaan van een handelstekort tot een verschuiving van het dynamische evenwicht, waardoor de overheid zich geconfronteerd ziet met een tekort op de begroting. Het OPEN model kent geen automatische mechanismen om deze onbalans te corrigeren.

OPEN staat daarmee haaks op een belangrijk model uit de mainstream economische wetenschap, het Mundell-Fleming (MF) model, ook wel IS-LM-BoP model genoemd. Aan dat model ligt een verondersteld automatisch correctiemechanisme ten grondslag, waardoor een onbalans in de handel automatisch zou worden gecorrigeerd.

Dat mechanisme zou als volgt moeten werken (geldstromen anders dan gerelateerd aan de verrekening van de handel buiten beschouwing latend, in lijn met het OPEN model):

  • een netto handelstekort leidt tot een netto uitstroom aan geld, waardoor de balans van de centrale bank aan de bezittingenkant gestaag krimpt;
  • die gestage krimp van de bezittingen gaat gepaard met een even grote krimp van de verplichtingen van de centrale bank, de monetaire basis (het uitstaande fiatgeld, in het voorbeeld HZs);
  • die gestage afname van de monetaire basis leidt tot een gestage stijging van de rente, die pas tot staan komt als de handelsbalans, in reactie op de economische impact van die rentestijging, weer neutraal is geworden.

G&L stellen dat de mainstream economen bij de formulering van dit mechanisme een cruciaal punt over het hoofd zien. In mijn eigen woorden: het uit evenwicht raken van de handel leidt inderdaad tot een initieel verlies aan monetaire basis (in het voorbeeld: HZs). Maar dat verlies aan monetaire basis leidt tevens tot een daling van de eigen productie van Zuid, waardoor de belastinginkomsten van de overheid (in het voorbeeld: TZ) dalen.

Die daling van de productie van Zuid, en daarmee van de belastingenstroom, komt pas tot staan op het moment dat de netto betalingen van de huishoudens aan het buitenland, door dat handelstekort, gelijk zijn geworden aan de netto ontvangsten van de overheid (in het voorbeeld: GZ – TZ). Op dat moment is het verlies aan monetaire basis tot staan gebracht, geheel ten koste van een verlies aan goudreserves.

Door de instelling van het nieuwe dynamische evenwicht stabiliseert de balans van de centrale bank zich omdat de teruglopende goudreserves een op een worden vervangen door een oplopend bezit aan bills. Er is dus geen sprake van een gestage krimp van de balans van de centrale bank zoals wordt verondersteld door de aanhangers van het MF model.

De aan de basis van deze denkfout van de mainstream economen gelegen oorzaak is al eerder aan de orde geweest, namelijk in het artikel SIM – II. Ze komt erop neer dat die mainstream economen over het hoofd zien dat veranderende flows leiden tot veranderende stocks, die weer leiden tot veranderende flows. En dat is niet zo vreemd, want de mainstream economische modellen kennen alleen flows, en geen stocks.

NB. de initiële daling van de monetaire basis in OPEN is overigens niet het gevolg van de daling van de goudreserves, zoals de aanhangers van het MF model stellen, maar simpelweg van het feit dat in de nieuwe situatie (na de sprong van de geneigdheid tot importeren) de vraag van de huishoudens naar geld daalt. Dat wordt veroorzaakt door de daling van het vermogen, wat wordt veroorzaakt door de daling van het inkomen, hetgeen weer een gevolg is van de daling van de productie, die weer het gevolg is van de toegenomen importen (oef..).


Het compensatie principe

Uit het voorbeeld blijkt als gezegd dat als de centrale bank de rente onveranderd laat, het optreden van een handelstekort leidt tot het oplopen van de hoeveelheid bills in bezit van de centrale bank in een mate die gelijk is aan het verlies aan goudreserves. Aan de overzijde van de grens gebeurt ondertussen het omgekeerde: hier ziet de centrale bank haar bezit aan goud stijgen en (als ze de rente ongemoeid laat) het bezit aan bills in hetzelfde tempo dalen.

Dit verschijnsel wordt door G&L aangeduid als het compensatie principe. Het wordt bevestigd door verschillende empirisch onderzoeken naar de ontwikkeling van centrale bank balansen in de tijd van de goudstandaard. Daaruit blijkt dat de goudreserves en de reserves aan binnenlandse schuld (bills en dergelijke) van centrale banken van landen met een goudstandaard ongeveer tweederde deel van de tijd tegen elkaar in bewogen.

Met andere woorden, de fundamentele veronderstelling waarop het MF model is gebaseerd gaat veel vaker niet op dan dat ze wel opgaat, het omgekeerde lijkt dus eerder waar te zijn. En daarmee is tevens de bijl gelegd aan de wortel van de gedachte dat met de herinvoering van de goudstandaard stabilisatie van het internationale kapitaalverkeer zou kunnen worden bewerkstelligd.


Scenario 2: een toename van de geneigdheid tot sparen in Zuid

In dit scenario is de geneigdheid tot sparen van zuid verhoogd door in periode 50 de geneigdheid tot uitgeven van het besteedbare inkomen te verlagen van 0.6 naar 0.575. Het resultaat daarvan is te zien in de volgende grafiekjes.


Overigens is voor deze berekening gebruik gemaakt van de waarden van de exogene variabelen gebruikt door Gennaro Zezza die enigszins afwijken van de waarden die in het eerste voorbeeld zijn gebruikt. Dat is gedaan om een betere aansluiting te vinden bij de grafieken van G&L, omdat de instelling van de exogene variabelen in dit voorbeeld redelijk nauw luistert.

Net zoals in de voorbeelden voor PC, LP en REG leidt een verhoging van de geneigdheid tot sparen tot een initiële afname van de productie, die zich vervolgens gestaag herstelt om uiteindelijk te stabiliseren op een hoger niveau dan voor die verhoging. Zoals we al hadden gezien in die voorgaande voorbeelden is dit het gevolg van het gestaag oplopen van het bezit aan bills (en bonds in LP) en de daardoor toenemende inkomsten uit rente.

Het effect op de handelsbalans is vergelijkbaar. Doordat de productie en in het verlengde daarvan de import in Zuid flink daalt terwijl de export naar Noord nagenoeg onveranderd blijft, stijgt slaat de handelsbalans van Zuid om van neutraal naar een overschot. Naarmate de productie van Zuid zich echter herstelt en uiteindelijk op een hoger niveau uitkomt, daal dat overschot weer, om uiteindelijk om te slaan naar een klein handelstekort.

De ontwikkeling van de handelsbalans wordt weerspiegeld in de goudreserves van Zuid. Die stijgen eerst relatief snel, om vervolgens langzaam maar zeker te dalen door het kleine handelstekort dat Zuid in het nieuwe dynamische evenwicht met Noord heeft ontwikkelt.

Tegelijkertijd stijgt de staatsschuld van Zuid eerst snel, als gevolg van de ineens dalende productie in Zuid en de daardoor inzakkende belastinginkomsten, om in een later stadium langzamer te stijgen vanwege het kleine handelstekort van Zuid opbouwt in de nieuwe situatie van dynamisch evenwicht. Die beweging is eveneens terug te vinden in de groei van de bills in handen van de centrale bank van Zuid. 

De balans van de centrale bank van Noord ontwikkelt zich ondertussen tamelijk spiegelbeeldig aan die van Zuid, wat te zien is in de volgende grafiek.


In het volgende artikel ga ik in op drie varianten op het OPEN model, OPENG, OPENM en OPENM3, waarin gekeken wordt naar mogelijkheden om de onbalans in de handel en alle problemen die deze op termijn met zich te meebrengt te corrigeren.

© Anton van de Haar - juni 2013


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.