Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

In de drie voorgaande artikelen (I, II en III) is het INSOUT model beschreven, is gekeken naar het niveau van het dynamische evenwicht in INSOUT en zijn twee modelsimulaties beschreven, de eerste met een verhoging van de lange termijn doelvoorraad van de bedrijven en de tweede met een verhoging van de reguliere reële uitgaven van de overheid. In dit artikel gaan we verder met een aantal simulaties met INSOUT.

Simulatie 3: verhoging van de reservevereiste

Dit is een interessante simulatie omdat volgens veel mainstream economen een verhoging van de reservevereiste zou moeten leiden tot een vergelijkbare afname van het uitstaande banksaldo, via het zogenaamde money multiplier mechanisme (ook wel fractional reserve banking genoemd, zie het PCNEO artikel). Uit de simulatie blijkt echter dat het tegendeel gebeurt: een verhoging van de vereiste leidt juist tot een (beperkte) verhoging van het uitstaande banksaldo. Hoe is dat mogelijk?

In de simulatie is uitgegaan van een verdubbeling van 0,1 naar 0,2 in periode 1 van zowel de reservevereiste ρ1 voor betaalsaldo (M1) als de reservevereiste ρ2 voor spaarsaldo (M2). Als eerste is in de grafiek hieronder getoond wat er gebeurt met de balans van de banken.

 

Wat je ziet is dat de banken, om het saldo op hun rekeningen bij de centrale bank aan te vullen tot de nieuwe vereiste, voor een beperkt bedrag aan bills verkopen (totdat de liquiditeitsratio een voor hen nog acceptabele ondergrens heeft bereikt) en vervolgens voor een veel groter bedrag aan voorschotten van de centrale bank lenen.

NB. In principe zouden de banken ook bedrijfsleningen kunnen terughalen, maar in INSOUT is aangenomen dat de banken passief leningen aan de bedrijven verstrekken. Het op eigen initiatief terughalen van leningen bij die bedrijven is daarom geen optie.

Dat bezit aan voorschotten vinden de banken niet prettig omdat ze op voorschotten een hoge rente moeten betalen. Daarom trekken ze cash aan van de huishoudens door de rente op spaargeld te verhogen. Met die cash betalen ze vervolgens die voorschotten weer af. Dat is te zien aan de dalende rode lijn (banken bouwen voorschotten af) en de stijgende grijze lijn (huishoudens verhogen spaarsaldo).

De verhoging van de reservevereiste door de centrale bank en de reactie daarop van de banken zet een groot aantal processen in gang. Het effect daarvan is te zien in de volgende verzameling langere termijn grafiekjes, waaronder de twee voorgaande.

 

In de tweede rij zie je dat de winstmarge van de banken door die hoge rentekosten op voorschotten tot onder de door hen nog acceptabel geachte ondergrens zakt. Daarom verhogen ze de rente op bedrijfsleningen, die aangegeven is in het derde plaatje in de bovenste rij. Het aanhouden van voorraden is daardoor voor die bedrijven duurder geworden. Ze reageren daarop door hun lange termijn voorraaddoel en hun productie wat te verlagen.

Als gevolg van die wat verlaagde productie daalt de werkgelegenheid, wat weer doorwerkt in het inkomen van de huishoudens en vervolgens in de consumptie door die huishoudens. Dat laatste leidt op haar beurt weer tot een daling van de belastinginkomsten van de overheid, die daardoor haar staatsschuld ziet oplopen, zowel in absolute als in relatieve zin.

Uiteindelijk komt het systeem op een iets lager niveau weer tot rust. Per saldo is de werkgelegenheid dan iets afgenomen en heeft de overheid haar relatieve staatsschuld wat zien stijgen. Dat laatste geldt ook voor de het saldo aan bankgeld dat zich, geheel in strijd met de mainstream economische visie, heeft gestabiliseerd op een iets hoger niveau.

Overigens laten de grafiekjes ook zien waar de huishoudens de cash vandaan halen om hun spaarsaldo te verhogen. Die verkrijgen ze door bills en bonds te verkopen. Al met al eindigen die in de vorm van extra bills (door een stijgende bill/bond mix) bij de centrale bank. En dat is ook logisch, omdat die extra bills per saldo zijn ingeruild tegen extra cash die de banken nu (aangeduid als reserves) op hun rekeningen bij de centrale bank hebben staan.

NB. Het aantrekken van cash door de banken, voor het afbetalen van hun voorschotten, leidt tot een schijnbaar irrationele situatie: de daling van de rentelast op voorschotten die hiermee wordt bereikt, wordt meer dan gecompenseerd door de stijging van de rentelast op spaargeld. Per saldo stijgt daardoor de rentelast voor de banken, zodat hun winsten teruglopen, wat uit de voorgaande grafieken duidelijk blijkt.

Dit schijnbaar irrationele gedrag van de banken kan worden verklaard uit het feit dat de banken tezamen weliswaar het renteniveau op spaargeld bepalen, maar dat dit renteniveau voor de individuele banken een min of meer endogene grootheid is, een grootheid waar ze zich aan zullen moeten conformeren. Daardoor heeft het afbetalen van voorschotten vanuit het gezichtspunt van die individuele banken wel degelijk een positief effect op hun winstgevendheid.

Simulatie 4: verhoging van de bank liquiditeitsratio range

In deze simulatie besluiten de banken in periode 2 om wat voor reden dan ook dat ze teveel liquiditeitsrisico lopen en dat ze daarom hun liquiditeitsratio range fors moeten verhogen, van 0.002 - 0.004 naar 0.016 – 0.018. Dat betekent dat ze hun bezit aan bills, de door hen geprefereerde vorm van liquiditeit, fors moeten verhogen. Wat er vervolgens gebeurt is te zien in de volgende grafiekjes.

 

In de bovenste rij is te zien dat de banken, nadat ze hun liquiditeitsratio range hebben verhoogd, hun feitelijke liquiditeitsratio daarmee in overeenstemming brengen. Omdat ze geen cash hebben om de daarvoor benodigde bills te kunnen kopen (het saldo op hun rekening bij de centrale bank is maar net toereikend om hun reservevereiste te dekken), nemen ze voorschotten op bij de centrale bank om die bills te kunnen betalen.

De bills die de banken kopen worden per saldo geleverd door de centrale bank. Dat doet ze om te voorkomen dat de rente op bills gaat afwijken van het door haar nagestreefde niveau, daar de huishoudens bij de gegeven renteniveaus niet geneigd zijn om hun bills te verkopen. De banken hebben nu weliswaar hun liquiditeitsratio op het gewenste peil, maar daardoor zitten ze met voorschotten waarop ze procentueel meer rente betalen dan op spaargeld.

De banken beginnen daarom cash aan te trekken van de huishoudens, om daarmee hun voorschotten te kunnen aflossen. Om de huishoudens daartoe te verleiden moeten ze wel de rente op spaargeld meermaals verhogen. Zoals we in het vorige voorbeeld ook al zagen, leidt dat ertoe dat de winstmarge van de banken na enige tijd tot onder de door hen gewenste range zakt. Op dat moment verhogen ze de rente op leningen, zodat hun winst zich weer wat herstelt.

In reactie op de verhoging van de rente op leningen beginnen de bedrijven met het verlagen van de omvang van hun voorraden, zodat ze de omvang van hun uitstaande leningen kunnen verlagen. Om dat te kunnen bereiken moeten ze hun productie verlagen, waardoor ook de werkgelegenheid daalt. Dat leidt er weer toe dat het reële inkomen van de huishoudens daalt, die in reactie daarop hun consumptie terugschroeven.

De initiële daling van de productie wordt in de periode erna voor ongeveer de helft weer ongedaan gemaakt. Dat komt doordat de bedrijven het tempo van voorraadaanpassing temperen naarmate de nieuwe lange termijn doelvoorraad dichterbij komt. Dat de productie vervolgens toch weer iets daalt komt doordat de dalende consumptie de overhand krijgt over de stijging van de productie als gevolg van dat afnemende voorraadaanpassingstempo.

Uiteindelijk stelt zicht weer een nieuwe evenwichtssituatie in waarin de reële productie, de werkgelegenheid, het reële inkomen en de reële consumptie van de huishoudens zich weer op het niveau bevinden van vóór de ingreep van de banken. Ook de balans van de centrale bank ziet er dan weer uit als voorheen. Dat komt doordat de huishoudens in reactie op de spaarrenteverhoging hun bezit aan bills en bonds hebben afgebouwd.

Andere variabelen zijn echter blijvend veranderd: de liquiditeitsratio en de verdeling van de balans van de banken, de al genoemde verdeling van het vermogen van de huishoudens en de per saldo licht gestegen reële staatsschuld. De reden dat die laatste iets is opgelopen komt deels door de tijdelijk verlaagde belastinginkomsten en deels door het als gevolg van de tijdelijk lagere werkgelegenheid licht gedaalde prijsniveau.

 Simulatie 5: verlaging van de geneigdheid tot consumeren van het inkomen

Deze simulatie hebben we met de voorgaande modellen ook al gedaan, om vast te stellen wat voor effect een verlaging van de geneigdheid tot consumeren (= verhoging van de geneigdheid tot sparen) van het inkomen heeft op de ligging van het economisch evenwicht.

In de voorgaande modellen met een gesloten economie zagen we het volgende:

  • meer sparen in SIM heeft op termijn geen effect op de omvang van de economie;
  • meer sparen in LP en PC leidt op termijn tot groei van de economie;
  • meer sparen in BMW en DIS leidt op termijn tot krimp van de economie.

Deze verschillen kunnen worden verklaard uit het effect van de verandering van de renteontvangsten van de huishoudens op het niveau van hun consumptie. In SIM hebben de huishoudens geen inkomen uit rente, en is er dus ook geen sprake van een rente-effect op de economie.

In PC en LP, waarin de huishoudens bills respectievelijk bills en bonds van de overheid bezitten, neemt door de spaarzin van de huishoudens hun bezit aan bills en bonds per saldo toe, waardoor ze meer inkomsten uit rente hebben, wat leidt tot hogere consumptieve uitgaven. Dat komt doordat die hogere spaarzin leidt tot lagere inkomsten van de overheid uit belastingen, waardoor de staatsschuld en dus de hoeveelheid uitstaande bills en bonds toeneemt.

In BMW en DIS, waarin de huishoudens geen bills en bonds bezitten (want er is geen overheid), maar wel rentedragend banksaldo, neemt door de toegenomen spaarzin hun banksaldo en daarmee hun inkomen uit rente juist af. Deze opmerkelijke bevinding is het gevolg van het feit dat dit banksaldo per definitie gelijk is aan de omvang van de uitstaande bedrijfsleningen, die in reactie op de dalende consumptie door de bedrijven worden afgebouwd.

De vraag is vervolgens, wat gebeurt er in INSOUT, een model dat zowel bills en bonds als rentedragend banksaldo omvat? Welk effect heeft hierin de overhand? Dat is te zien in de volgende grafiekjes, op basis van een daling van de geneigdheid tot consumeren α1 van 0,95 naar 0,9.

 

Uit de grafiekjes blijkt dat de verlaging van de geneigdheid tot het uitgeven van het loon leidt tot een forse daling van de reële consumptie. Omdat de bedrijven die daling niet zien aankomen, zien ze hun voorraden opeens hard oplopen. In reactie daarop stellen ze hun reële productie fors neerwaarts bij.

Door die fors dalende productie kelderen tevens de werkgelegenheid en het reële HS inkomen. In reactie daarop daalt de consumptie nog verder, en daarmee ook de productie. Dit is al met al hetzelfde patroon dat we ook al zagen in PC, LP, BMW en DIS. Maar wat gebeurt er vervolgens?

In BWM en DIS stabiliseert de economie zich op een lager niveau. In INSOUT gebeurt dit niet, maar herstelt de economie zich, om uiteindelijk op een hoger niveau te stabiliseren, net als in PC en LP. En dat komt doordat de initiële stijging van de schuld van de overheid veel groter is dan de initiële daling van de schuld van de bedrijven. Daardoor stijgen per saldo de rente-inkomsten van de huishoudens, en daardoor wordt de economie al snel weer uit het dal getrokken.

Simulatie 6: verhoging van de algemene reële looneiscomponent Ω0

In de startsituatie van alle simulaties is de inflatie nul. Dat is bereikt door zodanige looneisparameters Ω te kiezen dat het geëiste reële loon gelijk is aan het actuele reële loon bij het niveau van de werkgelegenheid op dat moment. In deze simulatie wordt de algemene reële looneiscomponent Ω0 in periode 2 ineens verhoogd, van -1,26385 naar -1,2. Het effect daarvan is dat de werknemers ineens een hoger reëel loon eisen dan ze op dat moment ontvangen.

De grafiekjes van deze simulatie zijn hieronder getoond. Wat je ziet is dat de plotseling verhoogde reële looneis leidt tot een sprong van het inflatiepeil. Dat komt doordat de looneis gedeeltelijk word ingewilligd, zodat de productiekosten en dus de verkoopprijzen beginnen op te lopen.

 

Een gevolg van deze oplopende prijzen is dat het reële Haig-Simons inkomen van de huishoudens een knauw krijgt, wat enerzijds wordt veroorzaakt door de daling van de reële waarde van hun vermogen, en anderzijds door de daling van de reële waarde van hun rente-inkomsten. Die dalingen leiden tot een afname van hun consumptie. Daardoor lopen de voorraden op, waar de bedrijven weer op reageren met een afname van hun productie.

Al met al ontstaat er een negatieve spiraal waardoor de productie, de consumptie en het vermogen van de huishoudens wegzakken. Dit proces wordt uiteindelijk gekeerd door de stijgende rente-inkomsten van de huishoudens, als gevolg van een oplopende reële staatsschuld. Die schuld laat eerst een daling zien, als gevolg van de opgelopen inflatie. Maar die daling wordt al snel gestuit door de oplopende tekorten van de overheid.

Die stijgende rente-inkomsten van de huishoudens uit bills en bonds leiden uiteindelijk tot een toename van hun reële Haig-Simons inkomen, en daarmee ook tot een toename van hun consumptie. Niettemin stabiliseert de economie zich op een beduidend lager niveau dan voordat de werknemers hun reële looneis verhoogden.

In de grafiekjes is ter illustratie ook de ontwikkeling van de liquiditeitsratio en van de winstmarge van de banken te zien. Die ontwikkeling vormt voor de banken aanleiding om in het proces van het herstel van het economisch evenwicht eerst een aantal malen de rente op spaargeld te verhogen, en deze rente vervolgens weer naar het oude niveau te verlagen.

Simulatie 7: een inflatieneutrale overheidsbegroting

In simulatie 6 gebeurt onder de oppervlakte iets opmerkelijks. Door de inzettende krimp van de reële productie en de daardoor dalende reële consumptie wordt de overheid geconfronteerd met een negatieve nominale balans. Anders gezegd: met een begrotingstekort. Dat is te zien in de volgende figuur. Tegelijkertijd echter, wordt ze geconfronteerd met een positieve reële balans. In andere woorden: met een reëel begrotingsoverschot.

Dit opmerkelijke feit wordt veroorzaakt door de inzettende inflatie en de daardoor optredende reële waardedaling van de al uitstaande schuld. Ze is er de oorzaak van dat de reële staatsschuld, en daarmee de reële waarde van de rente op die schuld, afneemt. En dat laatste is weer de oorzaak van de per saldo krimpende reële economie.


Het is dit verschijnsel dat volgens G&L in de zeventiger en vroege tachtiger jaren van de vorige eeuw plaatsvond. De reactie van de overheid op de in die periode inzettende inflatie, of beter, het ontbreken van een reactie van de overheid daarop, heeft volgens G&L wellicht bijgedragen aan de schijnbaar opmerkelijke combinatie van oplopende inflatie, economische malaise en oplopende werkloosheid die de woordenboeken is ingegaan als stagflatie. 

Wat hadden de westerse overheden kunnen doen? Volgens G&L hadden ze hun reële uitgaven op peil kunnen houden, bijvoorbeeld door de rente op bills en bonds te verhogen. Het effect van een dergelijke ingreep is getoond in de volgende grafiekjes. Daarbij heeft de overheid in reactie op de inzettende inflatie van simulatie 6 in de periode erna de rente op bills en bonds met 0,7% verhoogd. 

Als je de grafiekjes vergelijkt met die van simulatie 6, dan zie je in enige mate vergelijkbare patronen, met dien verstande dat het reële Haig-Simons inkomen, de consumptie en de productie zich nu weer stabiliseren rond het startniveau.

 

Overigens lijkt het me dat het eenvoudigweg verhogen van de reguliere overheidsuitgaven in zo'n situatie meer zoden aan de dijk zal zetten, omdat daarmee de initiele economische krimp kan worden vermeden. Dat is te zien in de volgende plaatjes, op basis van een simulatie waarin de overheid in reactie op de inzettende inflatie in de periode erna haar reguliere overheidsuitgaven g verhoogt van 25 naar 25,5. 


In het volgende artikel ga ik verder met het GROWTH model.

© Anton van de Haar – februari 2014


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.