Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Zoals eerder aangegeven heeft de centrale bank het monopolie op de productie van fiatgeld, de banken mogen dat niet. Ze mogen echter wel kredietgeld produceren. Dit kredietgeld speelt zoals we in Een fictief monetair systeem hebben gezien een belangrijke rol in het economische proces, de financiering van de productie en de handel in producten en diensten.

Het is daarom van belang dat de hoeveelheid geld in omloop, het fiatgeld en het kredietgeld samen, aansluit bij de behoefte aan geld. Het is de taak van de centrale bank om dat te bewaken, om te voorkomen dat er teveel of juist te weinig geld in omloop is. Het is verder de taak van de Centrale bank om toezicht te houden op de banken, om te voorkomen dat ze teveel risico’s nemen bij de verstrekking van kredieten en daardoor zichzelf en het monetaire systeem in gevaar brengen.


Toezicht op de banken

Het controleren van de banken komt erop neer dat de centrale bank in de gaten moet houden of de banken voldoende "vet op de botten" hebben om bij tegenslag overeind te blijven. Om dat te kunnen toelichten moeten we even terug naar het artikel Een fictief monetair systeem en de laatste balans daarin:

 

Bezittingen

 

Verplichtingen

 

 

 

Kluis

bank

IOU’s gekregen van bedrijven en werkers

IOU’s gegeven aan de Centrale bank

IOU’s bank in kluisjes bedrijven

IOU’s bank in kluisjes

werkers

Biljetten

100

 

 

 

 

IOU’s

 

2.500

-1.000

-1.000

-600

Som

100

2.500

-1.000

-1.000

-600

Deze balans niet helemaal compleet. Wat mist is dat banken hun activiteiten niet gratis verrichten maar dat ze daarvoor betaald worden. Als iemand geld leent van de bank, dan moet hij rente betalen. Tegelijkertijd betaalt de bank ook een rentevergoeding op het saldo van haar klanten, maar die is een stuk lager zodat de bank (als het goed is) winst maakt.

Die winst bewaart ze – in de lijn van het fictieve voorbeeld zoals uitgewerkt in Een fictief monetair systeem – in een apart kluisje genaamd Eigen vermogen (EV). Stel dat ze per saldo 100 biljetten aan rente heeft ontvangen. De nieuwe balans wordt dan:

 

Bezittingen

 

Verplichtingen

 

 

 

 

Kluis

bank

IOU’s gekregen van bedrijven en werkers

IOU’s gegeven aan de Centrale bank

IOU’s bank in kluisjes bedrijven

IOU’s bank in kluisjes werkers

Kluisje EV bank

Biljetten

200

 

 

 

 

 -100

IOU’s

 

2.500

-1.000

-1.000

-600


Som

200

2.500

-1.000

-1.000

-600

-100

NB. het eigen vermogen staat bij de verplichtingen en heeft een minteken gekregen, om de optelling van bezittingen en verplichtingen kloppend te krijgen.

Nu is het zo dat een bank tegen twee soorten problemen aan kan lopen. Een daarvan treedt op als klanten opeens veel geld willen opnemen, dwz. als ze de IOU’s die de bank in hun kluisjes heeft gedaan ineens massaal willen inruilen voor biljetten. Als de bank daarvoor niet voldoende biljetten in kas heeft, dan heeft ze een liquiditeitsprobleem. Ze moet dan aan extra biljetten zien te komen. Dit probleem is in principe eenvoudig op te lossen.

Meestal zal een bank eerst proberen om het ontbrekende geld te lenen bij andere banken. Als dat niet lukt dan klopt ze aan bij de centrale bank. Die zal dat geld als de nood aan de man komt wel willen verstrekken, maar in de echte wereld zal ze daar wel een betrouwbaar onderpand voor willen hebben. En het enige onderpand dat de bank heeft zijn haar bezittingen, de IOU’s die ze heeft gekregen in ruil voor de leningen die ze heeft verstrekt. 

In de echte wereld zijn dat bijvoorbeeld hypotheken, staatsleningen en bedrijfsleningen. De Centrale bank zal kijken naar die IOU’s en zal proberen in te schatten wat hun kwaliteit is, dwz. hoe groot de kans is dat de verstrekkers van die IOU’s hun lening niet of niet geheel aan de bank kunnen terugbetalen. Ze zal alleen IOU’s als onderpand accepteren die ze betrouwbaar genoeg acht.

En daarmee komen we bij het andere, veel belangrijkere probleem waar een bank tegenaan kan lopen, zoals de afgelopen jaren maar weer eens is gebleken. Dat is het risico dat leningen niet of niet  helemaal worden terugbetaald. Op zich hoeft dat geen ramp te zijn omdat de bank immers haar spaarpotje Eigen vermogen nog heeft. Met dit potje kan ze dit risico in enige mate opvangen. 

Als de hoeveelheid wanbetalers echter te groot wordt, dan kan het gebeuren dat er in dat potje te weinig geld zit om de geleden schade nog te kunnen opvangen. De bank is dan insolvabel geworden. Met andere woorden, ze heeft meer verplichtingen dan haar overgebleven bezittingen nog waard zijn, haar eigen vermogen is dan negatief geworden. 

De centrale banken hebben een methode bedacht om dit solvabiliteitsrisico in te schatten. Op basis daarvan stellen ze solvabiliteitseisen aan de banken. Die methode hebben ze vastgelegd in de zogenaamde Basel akkoorden. Het akkoord waar nu aan wordt gewerkt, Basel III, is een reactie op de bankencrisis waar we nu nog in zitten.

Basel III komt kort door de bocht op het volgende neer. Eerst worden per bank de bezittingen ingedeeld in risicoklassen. Vervolgens wordt de waarde van de bezittingen per klasse met een risicofactor vermenigvuldigd. Dat geeft de risico gewogen activa . Tenslotte worden die risico gewogen activa bij elkaar opgeteld en gedeeld door het eigen vermogen. De zo gevonden verhouding, de kapitaalratio, wordt getoetst aan de minimum waarde die daarvoor is vastgesteld.

Dat laatste wil zeggen dat als de verhouding beneden een bepaalde waarde blijkt te liggen, de betreffende bank een probleem heeft en maatregelen moet nemen. Dat kan ze doen door haar risico gewogen bezittingen te verkleinen of door haar eigen vermogen te vergroten. In de echte wereld kan ze eerste dat doen door ontvangen IOU’s door te verkopen of eigen IOU's terug te halen, en het tweede door aandelen uit te geven en de opbrengst toe te voegen aan het eigen vermogen.

Terug naar de laatste tabel:

 

Bezittingen

 

Verplichtingen

 

 

 

 

Kluis

bank

IOU’s gekregen van bedrijven en werkers

IOU’s gegeven aan de Centrale bank

IOU’s bank in kluisjes bedrijven

IOU’s bank in kluisjes werkers

Kluisje EV bank

Biljetten

200

 

 

 

 

 -100

IOU’s

 

2.500

-1.000

-1.000

-600


Som

200

2.500

-1.000

-1.000

-600

-100

De bezittingen van de bank bestaan uit biljetten en IOU’s ter waarde van 2.700 biljetten. Stel je nu voor dat die IOU’s voor een waarde van 2.000 biljetten bestaan uit bedrijfsleningen en voor 500 biljetten aan woonhuishypotheken. En stel je nu voor dat bedrijfsleningen als relatief link beoordeeld worden en een risicofactor 1 krijgen, dat hypotheken wat minder link worden gevonden en een risicofactor van 0,5 krijgen en dat biljetten risicoloos gevonden worden en dus een risicofactor nul krijgen. De risico gewogen bezittingen worden dan:

Bezittingen

Hoeveelheid

Risicofactor

Risico gewogen hoeveelheid

Biljetten

200

0

0 x 200 = 0 

Bedrijfsleningen

2.000

1

1 x 2.000 = 2.000

Hypotheken

500

0,5

0,5 x 500 = 250

Totaal

2.700

 

2.250

De verhouding eigen vermogen / risico gewogen bezittingen wordt dan 100 / 2.250 = 4,44% Daarmee zou deze bank overigens niet voldoen aan Basel III dat een verhouding van minimaal 6% vereist. Ze zou dat kunnen corrigeren door een deel van die bezittingen te verkopen of de mix van bezittingen te verschuiven naar bezittingen met een lagere risicofactor (de noemer wordt dan kleiner), of door haar eigen vermogen te verhogen (de teller wordt dan groter).

NB. Overigens ligt Basel III zwaar onder vuur van regelgevers en economen omdat het volgens hen de fouten in Basel II niet heeft weggenomen, nog gecompliceerder is geworden, en bovendien nog ondoorzichtiger en makkelijker door banken manipuleerbaar is. Met andere woorden, het is nog beroerder geworden dan het al was.


Het schaduwbanksysteem

De banken zoeken steeds naar wegen om de omvang van de risico gewogen bezittingen op hun balans kunstmatig te kunnen verkleinen, om zodoende nog meer geld te kunnen uitlenen en nog meer winst te kunnen maken en toch te “voldoen” aan de eisen van de Centrale bank. Één van die methoden is het gebruik van zgn. repo’s. Een repo, repurchase agreement, is de verkoop van bezittingen aan een andere partij, gecombineerd met de afspraak om deze op korte termijn (vaak al de volgende dag) terug te kopen. Deze constructie wordt in de regel automatisch verlengd en eindigt op het moment dat een van de partijen ervan af wil.

Tegenpartij van een repo zijn partijen die beschikken over veel cash dat ze liever niet op een bankrekening parkeren, omdat de garantie op bankrekeningen beperkt is, terwijl de repo’s gedekt worden door de verkregen bezittingen. Op zich is er niets mis met deze constructie. Het is de banken na het nodige lobbywerk echter gelukt om de zodoende “verkochte” bezittingen van de balans te mogen halen. 

Daardoor lijkt de verhouding eigen vermogen / risico gewogen bezittingen op hun balans te verbeteren, zodat ze ruimte krijgen om nog meer kredieten te kunnen verstrekken. Maar het risico is niet verdwenen, in tegendeel! Het van de balans gehaalde deel van de bezittingen en verplichtingen bestaat immers gewoon nog, er ligt immers nog die verplichting tot terugkoop. Ze is alleen uit het zicht van de centrale bank gehaald, als een ijsberg onder water, wachtend op een crisis.

De praktijk om riskante delen van de balans uit het zicht te halen wordt ook wel aangeduid als schaduwbankieren. Ze heeft geleid tot de ondergang in 2008 van Lehman Brothers, een handelsbank die er een gewoonte van had gemaakt om steeds net voor het einde van het kwartaal, net voordat  ze aan de toezichthouder moest rapporteren, een deel van haar balans via een repo transactie tijdelijk "weg te poetsen" om aan de solvabiliteitseisen te kunnen voldoen, uiteraard in ruil voor een mooie vergoeding aan haar geldschieters.

Deze praktijk maakte het Lehman Brothers mogelijk om nog meer geld uit te lenen en daardoor nog meer winst te maken, maar dat ging dus gepaard met een veel hogere kans op insolvabiliteit als om wat voor redenen dan ook die riskante bezittingen toch wat minder waard bleken te zijn geworden dan voorheen gedacht en/of als de geldschieters niet langer wensten mee te doen aan het repo spelletje. 

The rest is history zoals dat zo mooi heet. In de VS is het schaduwbanksysteem sinds 2008 enigszins gekrompen, maar in omvang nog altijd vergelijkbaar met het “gewone“ banksysteem, zoals in het plaatje hieronder is aangegeven (bron: Poszar, Amerikaanse centrale bank, bedragen in biljoenen dollars, liabilities = verplichtingen). De groene lijn geeft de omvang van het "gewone" banksysteem aan, de rode lijn die van het schaduwbanksysteem.


De schaduwbanksystemen in Europa (eind 2010: 13 biljoen dollar) en in de VS (eind 2010: 16 biljoen dollar) zijn in omvang redelijk vergelijkbaar. Het schaduwbanksysteem in Europa is sinds 2008 echter nog wat verder gegroeid terwijl het in de VS een stukje is gekrompen. Dat is te zien in  de volgende figuur (bron: Bouveret).



Europa versus de VS

De balansen van de Europese banken (circa 54 biljoen dollar) zijn circa vier keer zo groot als in de VS (circa 14 biljoen dollar) terwijl de omvang van de Europese economie (17,5 biljoen dollar) niet veel groter is dan die van de VS (16 biljoen dollar). Bovendien hebben de Europese banken een veel lagere eigen vermogen / balans verhouding dan de Amerikaanse banken, namelijk circa 1:26 tegen 1:13. Staan de Europese banken er dan zoveel slechter voor dan de Amerikaanse banken? 

De belangrijkste oorzaak van de veel grotere omvang van het Europese bankensysteem is dat in Europa ongeveer 80% van de hypotheken en 90% van de bedrijfsleningen is gefinancierd door de banken, terwijl dat in de VS in beide gevallen slechts 30% is. Dat komt doordat in de VS veel hypotheken via zogenaamde GSE’s (Government Sponsored Entities) zijn gefinancierd, terwijl veel grote Amerikaanse bedrijven de banken omzeilen en geld lenen op de beurs, door de uitgifte van obligaties. De rol van de banken is in de VS dus een stuk kleiner dan in Europa.

Een belangrijke oorzaak van de lage eigen vermogen / balans verhouding van de Europese banken,  tevens een andere oorzaak van hun veel grotere balansen, is dat Amerikaanse banken nog mogen voldoen aan Basel I terwijl de Europese banken al moeten voldoen aan haar opvolger, Basel II. Dat leidt ertoe dat het voor Amerikaanse banken lucratiever is om relatief riskante en daardoor hoger renderende leningen te verstrekken dan voor de Europese banken. 

Het gevolg is dat de Amerikaanse banken minder geld mogen uitlenen ten opzichte van hun eigen vermogen. Verder worden er verschillende boekhoudregels gebruikt in de VS en Europa (US GAAP versus IFRS), wat leidt tot een lagere waardering van de balansen en daardoor een hogere eigen vermogen / balans verhouding van de banken in de VS.

Een ander verschil tussen de Europese en de Amerikaanse banken is de loan to deposit ratio. Dat is de verhouding tussen uitstaande leningen en het banksaldo van de klanten. In Europa is die groter dan in de VS, waardoor de Europese banken meer afhankelijk zijn van de geldmarkten voor het verstrekken van nieuwe leningen. Sommigen zien dat als een probleem, maar ik begrijp niet zo goed waarom, want de correlatie tussen de financieringsrente en de loan to deposit ratio's van de Europese banken is gering. 

Wel is er in de Eurozone een duidelijk verband tussen de rente die een bank moet betalen en de rente die het moederland van die bank moeten betalen. En dat lijkt me ook wel logisch omdat de kans op falen van een systeemrelevante bank (en dat zijn er vandaag de dag heel veel) per saldo even groot is als de kans op falen van het moederland, dat immers voor die bank garant staat. 


Inflatiebeheersing

Zoals in vorig artikelen is aangegeven is heb ik niet kunnen uitvinden wat de waarde van een valuta (het prijsniveau) nu precies bepaalt. Wel is het me duidelijk geworden dat de ontwikkeling van de geldhoeveelheid in grove lijnen en met een vertraging in de orde van een tot enige jaren vooruit loopt op het prijsniveau. Daaruit zou je kunnen afleiden dat de centrale bank haar eerste taak, het beheersen van de inflatie, op termijn zou kunnen sturen door de geldhoeveelheid te sturen. Ze beschikt daartoe in principe over verschillende gereedschappen. In de lijn van het fictieve voorbeeld (ik kom hier in de artikelen onder het tabblad MMT in meer detail op terug):

  • De centrale bank kan de rente verhogen of verlagen die ze vraagt over de biljetten die ze aan de bank heeft geleend. Het idee is dat ze het daardoor minder of juist meer winstgevend maakt voor de bank om kredietgeld te verstrekken aan bedrijven en werkers. Daardoor zou de bank geneigd kunnen zijn om meer of juist minder kredietgeld in omloop te brengen, daarmee de geldhoeveelheid veranderend. 
  • De centrale bank kan van de bank eisen dat ze een deel van de door haar verstrekte biljetten in haar kluis moet bewaren en dat de hoeveelheid kredieten die ze aan bedrijven en werkers verstrekt niet groter mag zijn dan bijvoorbeeld een factor tien maal de hoeveelheid biljetten in haar kluis. Daarmee stelt ze per saldo een maximum aan de hoeveelheid kredieten die de bank kan verstrekken. Door die factor te varieren, bijvoorbeeld te verhogen naar twaalf of te verlagen naar acht, kan ze de banken sturen in hun neiging om kredieten te verstrekken.
  • De centrale bank kan een deel van de IOU's kopen die de bank van haar klanten heeft ontvangen. Daarmee vergroot ze de hoeveelheid bankbiljetten in het bezit van de bank en kan ze de bank aanzetten tot het verstrekken van meer kredieten. In de echte wereld doet ze dat vooral via de beurzen, waar ze bijvoorbeeld hypotheekleningen koopt en weer verkoopt. Op deze wijze kan de centrale bank de hoeveelheid geld in omloop vergroten of verkleinen. Een bijkomend effect is dat ze daarmee het rentepeil kan manipuleren.
  • De centrale bank kan ook de solvabiliteitseisen aanpassen. Als ze die bijvoorbeeld strenger maakt, dan kan ze de bank daarmee dwingen om haar bezittingen te verkleinen, bij voorbeeld door de omvang van de meest riskante kredieten (die het zwaarst drukken op haar risico-gewogen balans) te verkleinen. Daarmee krimpt de geldhoeveelheid die in omloop is, althans als de bank de bezittingen ook werkelijk verkleint en deze niet wegsluist naar het schaduwbanksysteem zoals dat in de echte wereld vaak het geval is.

Veel economen denken dat de centrale bank met deze methoden inderdaad de hoeveelheid geld kan sturen die in het economische systeem beschikbaar is voor betalingen. Uit onderzoek is echter gebleken dat het niet de centrale bank is, maar dat het de banken zijn die deze geldhoeveelheid controleren, door naar eigen inzicht de hoeveelheid uitstaande kredieten te vergroten of juist te verkleinen. 

Meer hierover in het artikel Endogeen of exogeen?.

© Anton van de Haar - september 2012


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.