Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Het neoklassieke paradigma vormt de basis van de twee leidende stromingen in de economische wetenschap, die alle andere stromingen hebben gemarginaliseerd, de neokeynesiaanse en de nieuw-klassieke. Ze komt erop neer dat ons economische systeem steeds als vanzelf naar een situatie van evenwicht beweegt, en dat recessies en hausses veroorzaakt worden door gebeurtenissen buiten het economische systeem, externe schokken, die haar steeds weer uit evenwicht brengen.

Hoe meer ik me erin verdiep, des te meer ik er als buitenstaander van overtuigd raak dat dit paradigma niet alleen niet klopt, maar haaks staat op wat er in de echte wereld gebeurt. En dat is verontrustend als je je bedenkt dat dit paradigma nog steeds de leidraad vormt van het beleid van de grote economische instituten zoals de centrale banken, het IMF en de Wereldbank, en nog steeds in hoge mate de manoeuvreerruimte van onze politici bepaalt.

Het neoklassieke paradigma komt er in het kort neer dat wij, de spelers in het economische systeem:

  • slechts keuzes maken op basis van rationele afwegingen;
  • beschikken over alle voor die keuzes benodigde informatie en cognitieve vermogens, ook als het gaat om keuzes die consequenties hebben voor de (verre) toekomst;
  • als consumenten steeds die keuzes maken die ons maximale utiliteit (tevredenheid) opleveren;
  • als ondernemers steeds onze winst weten te maximaliseren.

Uit allerhande gedragsonderzoek blijkt echter keer op keer dat wij helemaal niet beschikken over de informatie en de cognitieve vermogens die nodig zijn om zulke rationele keuzes te kunnen maken, en dat we bovendien vaak geneigd zijn om juist irrationele keuzes te maken. En daarmee wordt dat neoklassieke paradigma al stevig aan het wankelen gebracht.

Dat paradigma wordt vervolgens helemaal onderuit gehaald door nog een andere observatie, namelijk dat de veronderstelling dat ondernemers hun winst maximaliseren helemaal niet klopt. De werkelijkheid is dat ondernemers dat misschien wel zouden willen, maar dat ze dat maar zelden zal lukken omdat ze steeds achter de feiten aanlopen. En daarom doen ze in de praktijk iets heel anders.


Bufferende bedrijven en de kostencurve

In de figuur hieronder is de curve geschetst die op elk willekeurig moment het verband aangeeft tussen de omvang van de productie van de economie als geheel en de productiekosten per eenheid product, zoals de neoklassieke economen die graag zien.


De redenering achter deze grafiek is simpel: als de productie toeneemt worden de productiemiddelen en het personeel steeds beter bezet, waardoor de productiekosten per eenheid product dalen. Maar op een gegeven moment zijn de productiemiddelen en het personeel optimaal bezet, waardoor een verdere verhoging van de productie leidt tot inefficiëntie en daardoor tot toenemende kosten per eenheid product. De optimale bezettingsgraad is dan gepasseerd.

Zoals ik hiervoor heb opgemerkt veronderstellen de neoklassieke economen dat ondernemers steeds hun winst maximaliseren. Maar dat vereist dat ze steeds bekend moeten zijn met de toekomstige vraag naar hun producten, zodat ze steeds precies weten hoeveel productiemiddelen en personeel ze moeten gaan inzetten om hun optimale bezettingsgraad ook daadwerkelijk te kunnen realiseren.

In de echte wereld kunnen de ondernemers niet in de toekomst kijken. Ze weten niet precies hoeveel producten ze zullen gaan verkopen. Daarom houden ze buffers aan van grondstoffen, van halffabricaten en gereed product, van productiemiddelen en van personeel, zodat ze steeds kunnen inspelen op een onverwachte stijging van de vraag.

Dat dit zo is blijkt wel uit de volgende figuur, waarin de bezettingsgraad van de productiemiddelen en de omvang van de bedrijfsvoorraden als percentage van de verkopen in de laatste 20 jaar in de VS is aangegeven. 

 

(bron: FRED dataseries Total Business Inventories (BUSINV), Total Business Sales (TOTBUSSMSA) en Capacity Utilization: Total Industry (TCU))

Het gegeven dat ondernemers buffers aanhouden heeft ernstige consequenties voor de modellen die de neoklassieke economen gebruiken, want ze haalt het mechanisme onderuit waarmee het economische systeem steeds als vanzelf weer naar een situatie van evenwicht zou moeten bewegen, feitelijk de essentie van het hele neoklassieke paradigma.

De ondernemers passen die buffers pas aan als ze duidelijk beginnen af te wijken van hun gewenste omvang, als gevolg van aanhoudende verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke verkopen. Met andere woorden, ze reageren met enige vertraging op omslagen in de economie, of beter gezegd: het verkooptempo van hun producten. Dat is goed te zien in het volgende plaatje.


(bron: FRED dataseries Total Business Sales (TOTBUSSMSA) en Total Business Inventories (BUSINV))

Wat je ziet is dat de ondernemers hun productie (rood) met een vertraging van gemiddeld ongeveer 4 maanden aanpassen aan trendomslagen in de verkopen (blauw). En dat kunnen ze alleen maar doen doordat ze  voorraden als buffer aanhouden. 

Terug naar het kostencurve plaatje. Het resultaat van het handhaven van buffers is dat de ondernemers steeds een eindje links van de groene lijn in dat plaatje zullen opereren, in een situatie van aanhoudende overcapaciteit. Daardoor zullen ze die groene lijn van optimale productie hooguit incidenteel bereiken, als hun verkopen veel hoger zijn dan ze eerder hadden verwacht. 

De consequentie daarvan is dat de ondernemers hun winstmarge zien toenemen als de economie meer dan gemiddeld groeit, omdat ze dan naar het optimale productieniveau toe bewegen. Anderzijds zien ze hun winstmarge juist afnemen als de economie minder dan gemiddeld groeit of krimpt, omdat ze dan nog verder van het optimale productieniveau weg bewegen. Dat dit inderdaad het geval is, blijkt wel uit de figuur hieronder (VS, periode 1970 – 2012).

 

(De gegevens in de figuur zijn afgeleid van de FRED dataseries Gross Domestic Product (GDP) en Corporate business: Profits before tax (without IVA and CC Adj; A446RC1Q027SBEA))

Op de horizontale as in de voorgaande figuur is de jaar-op jaar ontwikkeling van de winstmarge van de bedrijven aangegeven (d.w.z. hoe snel de winstmarge oploopt of juist afneemt), en op de verticale as de jaar-op-jaar reële economische groei, gecorrigeerd voor de lange termijn reële groei trend (d.w.z. de versnelling of afremming van de groei ten opzichte van de trendmatige groei).

Uit de figuur blijkt duidelijk dat perioden van versnellende groei (hausses) gepaard gaan met oplopende winstmarges en dat groeivertragingen (recessies) gepaard gaan met dalende winstmarges, precies zoals je zou verwachten op basis van buffer-gestuurde bedrijven. En dat is een heel ander plaatje dan je te zien zou moeten krijgen als de neoklassieke economen gelijk zouden hebben.

In dat laatste geval zou je namelijk moeten zien dat de winstmarge van de bedrijven zowel bij een groeiversnelling als bij een groeivertraging afneemt, in het eerste geval omdat de bedrijven dan met een capaciteitstekort te maken krijgen (naar rechts van het optimum weg bewegen) en in het tweede geval omdat ze dan juist met een capaciteitsoverschot te maken krijgen (naar links van het optimum weg bewegen). Maar zo’n patroon ontbreekt dus  geheel.

NB. de reden dat de puntenwolk zo breed uitwaaiert naar beide zijden van de rode trendlijn is dat er nog de nodige andere factoren zijn die de ontwikkeling van de winstmarge bepalen, bijvoorbeeld dat bedrijven in reactie op sterk krimpende buffers hun prijzen verhogen (waardoor de winstmarge nog sneller oploopt) en dat werknemers in reactie op een teruglopende werkloosheid loonsverhogingen weten af te dwingen (waardoor de winstmarge juist weer onder druk komt te staan)Maar vooral op de korte termijn is de geschetste relatie behoorlijk sterk, wat blijkt uit het feit dat de verbindingslijnen tussen aangrenzende punten (de opeenvolgende waarnemingen) veelal mooi parallel lopen aan de aggregate trendlijn.

Nogmaals terug naar de kostencurve. Hierna is het resultaat getoond van een omvangrijk onderzoek uit 1952 naar de vorm van de kostencurve die de bedrijven zelf zeggen te zien (Eiteman en Guthrie, "The shape of the average cost curve”).

 

In dat onderzoek was aan managers van enkele honderden bedrijven gevraagd welke van acht verschillende grafieken naar hun mening het beste de relatie tussen hun productievolume en hun kostprijs weergeeft ziet. De resultaten zijn in rood aangegeven in de vorige figuur, uitgedrukt in procenten van het totale aantal reacties (334 stuks). 

Later onderzoek, ook dat van vooraanstaande neoklassieke economen, heeft keer op keer de resultaten van dit onderzoek bevestigd. Zo schreef de vooraanstaande neoklassieke econoom Alan Blinder in 1998, in reactie op een omvangrijk vergelijkbaar onderzoek door hemzelf: "The overwhelmingly bad news (for economic theory) is that, apparently, only 11% of GDP is produced under conditions of rising marginal cost". Overigens bedoelt Blinder hier met "economic theory" de neoklassieke theorie. 

Wat je ziet is dat het overgrote deel van de bedrijven (61%) erin slaagt om steeds links van het optimale kostenniveau te opereren (ze zien hun eenheidskosten bij oplopende productie steeds dalen), en dat de meeste andere bedrijven er soms net iets voorbij schieten (ze zien hun eenheidskosten pas na een sterk opgelopen productie iets stijgen). Samen met de voorgaande plaatjes vormt dit plaatje een duidelijk bewijs dat de stelling dat ondernemers geen alwetende winstmaximalisators zijn, maar dat ze opereren in een onzekere wereld en daarom gebruik maken van buffers om hun continuïteit te kunnen bewaren.

De essentie is dat ondernemers winstoptimalisators zijn, die opereren in een onzekere wereld en proberen om dicht bij hun optimale productieniveau in de buurt te blijven, maar voldoende afstand van dat optimale productieniveau houden om onverwachte fluctuaties in de vraag naar hun producten te kunnen opvangen. 


Het neoklassieke paradigma onderuit gehaald

Nu zal je wellicht vragen, waarom haalt dit het neoklassieke paradigma onderuit? Vergelijk het met een knikker die je in een kom laat rollen. Uiteindelijk zal die knikker op het diepste punt van die kom tot rust komen. En als je die kom heen en weer beweegt, dan zal die knikker opnieuw op en neer gaan rollen, om uiteindelijk opnieuw op het diepste punt van die kom tot rust te komen.

Op dezelfde manier fungeert in het neoklassieke paradigma de kostencurve als het “kommetje” waarin de economie steeds weer tot rust  komt. Maar dat klopt dus niet. Het punt is dat die rollende knikker (de zich ontwikkelende economie) de vorm van het kommetje (de kostencurve) beïnvloedt doordat individuele bedrijven in reactie op een aanhoudend stijgende vraag (een naar rechts rollende knikker) hun voorraden en productiecapaciteit verhogen (de curve in zijn geheel naar rechts verschuiven). Anders gezegd, als die knikker gaat rollen, dan gaat het kommetje vanzelf met die knikker meebewegen. 

Het gevolg hiervan is dat de economie als geheel het naar rechts oplopende deel van dat kommetje maar heel zelden bereikt. En daardoor zien de bedrijven, die steeds moeite doen om hun buffers op peil te houden en in reactie op de ontwikkeling van die buffers hun productiecapaciteit aanpassen, de volgende opeenvolging van kostencurves (gecorrigeerd voor looninflatie).

 

Dat die kostencurve in de tijd neerwaartse helt zoals aangegeven in de voorgaande figuur, is het gevolg van de per saldo steeds toenemende arbeidsproductiviteit en schaalgrootte (schaalvoordelen) van de individuele bedrijven, waardoor de kostprijs van de inzet van arbeid en productiemiddelen per eenheid product al met al bijna continu daalt.

Al met al kent de economie geen “kommetje” waarin ze tot rust kan komen, maar "rolt" ze langs een soort hellend vlak van steeds lagere productiekosten steeds verder omlaag. Er bestaat voor bedrijven daardoor geen kostenprikkel om hun productie te beperken. En daarmee wordt het neoklassieke paradigma definitief onderuit gehaald.

Dat de bedrijven hun productie weldegelijk beperken heeft een heel andere oorzaak. En die oorzaak is de wetenschap dat ze die producten ook nog tegen een voor hen acceptabele prijs moeten zien te verkopen. En daarmee komen we aan bij een heel ander onderwerp, dat van Keynes' effectieve vraag, waarover later meer.

© Anton van de Haar, september 2014



Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.