Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

In onze wereld staan de neoklassieke economen aan het stuur. Op economisch gebied worden bijna alle sleutelposities bij internationale instituten, overheden en centrale banken, bij belangrijke universiteiten en bij andere toonaangevende onderzoeksinstellingen bezet door mensen die kunnen worden gerekend tot de neoklassieke stroming.

Het zijn deze mensen die aan de knoppen van onze economie draaien, prominent op de voorgrond of op de achtergrond, als bestuurder of als adviseur van regeringen en bedrijven. Ze hebben praktisch zonder uitzondering de crisis waar we nu inzitten niet zien aankomen. En het zijn tevens de mensen die moeten gaan bepalen hoe we er uit moeten zien te komen.

Is dat verstandig? Is het verstandig om diegenen die een theoretisch model aanhangen waarmee de crisis niet kon worden voorspeld, de grootste economische crisis van de afgelopen tachtig jaar, te vragen om ons weer uit diezelfde crisis te halen? Bedenk daarbij dat ze niet over ons is gekomen zoals een aardbeving of een orkaan.

We hebben haar zelf veroorzaakt. We hebben haar over ons afgeroepen met het beleid dat diezelfde neoklassieke economen ons hebben geadviseerd en in veel gevallen met het nodige lobbywerk hebben opgedrongen, en nog steeds opdringen, als bestuurders en adviseurs van de banken die aan de wieg stonden van de crisis. Alle reden om eens goed te kijken naar die neoklassieke economen en hun theorie.


Keynes

Een interessant startpunt is wat Keynes tachtig jaar geleden al constateerde, ten tijde van de vorige grote crisis, de Grote Depressie. Toen was wat Keynes destijds als de klassieke theorie aanduidde de leidende stroming in de economische wetenschap.

In zijn tijd hadden de volgers van deze theorie de andere theorieën en hun aanhangers grotendeels verdrongen. Niettemin constateerde Keynes dat ze niet werkte, dat haar voorspellingen niet uitkwamen. Maar toch was ze de leidende stroming. Hoe was dat mogelijk? Keynes constateerde fijntjes dat ze een rechtvaardiging bood voor een dominante kracht in onze samenleving, het grote geld, om vrijelijk haar gang te gaan.

Na de dood van Keynes heeft de klassieke theorie een kleine facelift ondergaan en een nieuwe naam gekregen: neoklassieke theorie. En met de opkomst van het vrije markt denken ten tijde van Thatcher en Reagan hebben haar volgelingen opnieuw de andersdenkenden gemarginaliseerd en uit de leidende universiteiten, onderzoeksinstellingen en belangrijke bestuursfuncties verdreven. Maar haar fundamenten zijn grotendeels hetzelfde gebleven. Wat zijn die fundamenten?


Neoklassiek paradigma

De neoklassieke theorie is niet eenduidig, ze kent verschillende stromingen met aanduidingen als neo-Keynesiaans en nieuw klassiek. Maar die hanteren een aantal gemeenschappelijke uitgangspunten, die kunnen worden omschreven als het neoklassieke paradigma.

De neoklassieke mens:

  • de mensen die de neoklassieke economische werkelijkheid bevolken, representatieve agents genaamd, zijn een soort superwezens. Ze zijn alwetend, kunnen in de toekomst kijken en zijn volstrekt rationeel;
  • dat wat ze nastreven is maximalisatie van utiliteit, dat wil zeggen dat ze de producten die ze te bieden hebben zo gunstig mogelijk met anderen proberen te ruilen tegen die mix van producten die ze maximale tevredenheid schenkt.
  • die maximale tevredenheid, zo denken de neoklassieke economen, kunnen ze zich het beste verwerven in een vrije markt economie, waarin ze maximale vrijheid hebben om te doen en te laten wat ze graag willen.

Het neoklassieke ruilproces:

  • de vraagcurve is neerwaarts hellend, wat betekent dat de vraag afneemt naarmate de prijs toeneemt, wat verklaard wordt met het principe van vervanging;
  • de aanbodcurve is opwaarts hellend, wat betekent dat de aanbodprijs toeneemt naarmate het aanbod stijgt, als gevolg van opportuniteitskosten;
  • op het snijpunt van beide curven zijn vraag en aanbod precies aan elkaar gelijk, dit is het evenwichtspunt waar het economische systeem als vanzelf naartoe zou bewegen, als het maar ongemoeid wordt gelaten.

Met het principe van vervanging bedoelen de neoklassieke economen dat als een product duurder wordt, de mensen meer en meer gaan kiezen voor vergelijkbare maar goedkopere producten. De betekenis van opportuniteitskosten is lastiger uit te leggen. Ze komt er in het kort op neer dat naarmate een bedrijf haar productie verhoogt, ze steeds meer concessies zou moeten doen aan de efficiëntie van het productieproces, waardoor de kostprijs van haar producten zou oplopen.

Het vierde punt, de veronderstelling van economisch evenwicht op het snijpunt van de vraag - en aanbod curves, misschien wel de essentie van het neoklassieke paradigma, is in de volgende figuur geïllustreerd. Dit algemeen bekende plaatje wordt wel beschouwd als het symbool van de neoklassieke theorie.


De minimale rol van geld in het neoklassieke model:

Misschien nog wel belangrijker dan de vorige punten is de wijze waarop de neoklassieke economen tegen de rol van geld en schuld in het economische proces aankijken: 

  • geld wordt gezien als slechts een middel om de uitruil van producten te faciliteren ("a veil over barter"), er wordt geen rekening gehouden met het feit dat er veelal eerst geld moet worden geleend en geïnvesteerd en dat het tijd kost voordat die investeringen inkomsten gaan genereren;
  • vanwege het voorgaande punt wordt er geen rekening gehouden met zaken als de rol van de financiële sector en de effecten van kredietverlening en schuldopbouw en schuldafbouw op het economische proces.

Op basis van hun paradigma stellen de neoklassieke economen dat de economie een systeem is dat van zichzelf stabiel is en dat het beste met rust kan worden gelaten, zodat vraag en aanbod met elkaar in evenwicht kunnen komen in een situatie waarin iedereen zijn eigen belang maximaal kan nastreven. Volgens hen zou dat leiden tot een situatie van maximale utiliteit, waarin de totale bereikte tevredenheid maximaal is, in neoklassiek jargon: Pareto-optimaliteit.

Een andere opmerkelijke consequentie van dit paradigma is dat er niet zoiets bestaat als onvrijwillige werkloosheid. Werkloosheid zou een impliciete keuze zijn van werknemers die onvoldoende bereid zouden zijn om de prijs van hun arbeid, hun loon, te matigen. Daardoor zou het snijpunt van de vraag en aanbodcurve voor arbeid niet op de plek komen te liggen waar alle beschikbare arbeid is ingehuurd. Eigen schuld dikke bult dus!


Wensdroom

Het klinkt wellicht wat cru, maar als ik om me heen kijk en zie hoe onze economie werkt, dan kan ik niet anders dan concluderen dat het neoklassieke paradigma weinig meer dan een wensdroom is. Mensen zijn niet volstrekt rationeel en kunnen niet in de toekomst kijken. En het lijkt me duidelijk dat er niet zoiets bestaat als de representative agent. Ieder mens is anders en beschikt over een andere mix van talenten, motivaties, behoeftes en sociale kruiwagens. Ieder mens heeft daardoor andere kansen in de survival of the fittest die ons economische systeem feitelijk is.

Anderzijds valt moeilijk te ontkennen dat de meeste mensen in hun leven maximalisatie van utiliteit nastreven. Maar daarbij zitten ze elkaar danig in de weg, wat in een ongereguleerde economie, een vrije markt, tot bijzonder oneerlijke situaties kan leiden. Dat zie je in de VS, waar de economische ongelijkheid de laatste decennia is geëxplodeerd en waar de American dream voor de gewone man al heel lang geleden achter de horizon is verdwenen.

Maar OK, dit zijn tamelijk softe, kwalitatieve argumenten, die lastig hard te maken zijn. Ze leiden al snel tot welles-nietes discussies. Er zijn echter ook meer kwantitatieve, objectieve argumenten.

Het belangrijkste argument lijkt me wel dat onze hang naar maximalisatie van utiliteit, het najagen van ons eigenbelang, weliswaar de drijvende kracht is achter onze economie, maar dat ze niet mogelijk is zonder het gebruik van geld. Dat geld is niet alleen onmisbaar als ruilmiddel, om de uitruil van producten mogelijk te maken, maar het is ook onmisbaar bij het doen van de investeringen die nodig zijn om al die producten überhaupt te kunnen produceren.

Het theoretische ruiltempo van producten (de omvang van onze economie) wordt begrensd door de maximale productiecapaciteit. Dat is het maximale tempo waarin we die producten kunnen maken. Anders gezegd, de maximaal mogelijke omvang van de fysieke productie op dat moment, die wordt bepaald door de beschikbaarheid van adequaat opgeleide werknemers en van productiemiddelen

Het feitelijke ruiltempo wordt echter in de eerste plaats bepaald door de beschikbaarheid van geld. Want pas als je over geld beschikt, of dat nu is verdiend, geleend of is gekregen, kun je een product kopen. 

De beschikbaarheid van geld kan op twee manieren worden verhoogd. De eerste manier is het creëren en uitlenen van nieuw geld, de tweede manier het uitlenen van al bestaand geld. Beide gaan gepaard met schuldgroei. Dat wordt uitgebreid uiteengezet in de MMT artikelen. De eerste manier leidt tot vergroting van de geldhoeveelheid, de tweede tot vergroting van de omloopsnelheid, het tempo waarmee het geld van eigenaar wisselt.

Als de beschikbaarheid van geld toeneemt, dan stijgt het ruiltempo: economische groei. Wordt het geld alleen gebruikt voor de ruil van consumptieproducten, dan loop je uiteindelijk tegen de maximale productiecapaciteit aan. Neemt de hoeveelheid geld in omloop dan nog verder toe, dan leidt dat er alleen maar toe dat met meer geld dezelfde hoeveelheid producten wordt nagejaagd en de prijs van die producten stijgt: inflatie.

In het beste geval wordt er steeds een voldoende groot deel van het geld in omloop geruild tegen nieuwe productiemiddelen en opleiding van bestaande en nieuwe werknemers. Dat leidt tot groei van de productiecapaciteit. De economie kan dan meegroeien met de omvang van de schuld en de daaruit resulterende geldstroom. Dat was de situatie in de eerste decennia na de tweede wereldoorlog, zoals is te zien in de volgende figuur (GDP: omvang economie). 

Anderzijds kan het ook gebeuren dat de beschikbaarheid van geld afneemt. Dat gebeurt als banken uitstaande leiningen terughalen en terughoudend zijn met het verstrekken van nieuwe leningen, of als huishoudens en bedrijven hun geld minder snel gaan uitgeven. Het resultaat daarvan is een daling van het ruiltempo: economische recessie.

Nog slechter pakt het uit als er te weinig wordt geïnvesteerd in scholing en nieuwe produtiemiddelen, maar er te veel wordt uitgeleend voor belegging in bestaande financiële producten zoals aandelen, en in bestaande producten zoals onroerend goed. Dat komt nauwelijks ten goede aan de groei van de economie, zodat de omvang van de schuld ten opzichte van de economie toeneemt. Dat is de situatie die zich voordeed in de periode 1980 -2010, zoals te zien is in de vorige figuur.

Zo'n periode van excessief leen- en speculatiegedrag leidt tot stijgende prijzen van beleggingen, feitelijk een vorm van inflatie, wat weer leidt tot een gevoel van toenemende welvaart en tot nog meer lenen en speculeren – totdat de zeepbel knapt en iedereen weer met beide benen, en een flinke schuld, op de grond staat. Het is in zo'n situatie dat banken, huishoudens en bedrijven ineens hun hand op de knip houden, met een flinke recessie of erger als gevolg: onze crisis in een notendop. 

Dat laatste scenario kan in het neoklassieke model niet optreden, simpelweg omdat die geldstromen niet in het model model zijn ingebouwd. Sterker nog, die geldstromen kunnen niet in dat model worden ingebouwd, omdat ze dan veel van haar door de neoklassieke economen zo gekoesterde eigenschappen verliest. Dat maakt het scenario echter niet minder reëel, wat we nu door schade en schande ondervinden en wat veel weldenkende mensen al veel langer door hadden.

Maar dat geldt tot op de dag van vandaag helaas niet voor die neoklassieke economen. In een uiting van cognitieve dissonantie blijven ze zich verzetten tegen het zich steeds verder opstapelende bewijs dat hun geesteskind niet deugt. En dat zijn tevens de mensen die geacht om worden ons uit de crisis te gaan redden. Maar hoe groot is de kans dat een blinde je uit een brandend huis gaat redden?

Tekenend is een ontboezeming die ik las op de veel gelezen blog van Noah Smith (Noahpinion), een econoom die toch redelijk dich tegen het neoklassieke kamp aanzit:

"It was only after taking the macro field course that I began to suspect that there might be a political motive behind the neoclassical research program (I catch on quick, eh?). "Why does anyone still use RBC?" I asked one of the profs (not an RBC supporter himself). "Well," he said, stroking his chin, "it's very politically appealing to a lot of people. There's no role for government."

That made me mad! "Politically appealing"?! What about Science? What about the creation of technologies that give humankind mastery over our universe? Maybe macro models aren't very useful right now, but might they not be in the future? The fact is, there are plenty of smart, serious macroeconomists out there trying to find something that works. But they are swimming against not one, but three onrushing tides - the limited nature of the data, the difficulty of replicating a macroeconomy, and the political pressure for economists to come up with models that tell the government to sit on its hands."

© Anton van de Haar - maart 2013


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.