Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Op FTM wordt de laatste maanden heftig gediscussieerd over ons monetaire systeem en over de rol van het geld en van de banken daarin. De aanleiding van al die discussies is een aantal voorstellen om dat systeem te hervormen, gelanceerd door de Stichting Ons Geld:

  1. Geld dient enkel gecreëerd te worden door middel van een democratisch en transparant orgaan dat handelt vanuit het algemeen belang
  2. Geld moet vrij van schuld worden gecreëerd
  3. Geld moet in de reële (niet-financiële) economie terecht komen voordat het in financiële markten en vastgoedzeepbubbels terecht komt.
  4. Banken moeten niet worden toegestaan​​ om geld te creëren

Deze voorstellen zijn gebaseerd op een hervormingsplan van de Stichting dat grotendeels is ontleend aan plannen van derden, in de eerste plaats de Positive Money beweging in het Verenigd Koningrijk. Het probleem met deze voorstellen is dat ze kennelijk al snel hun verband worden getrokken als ze niet goed in de context van dat plan worden geplaatst. En dat heeft kennelijk geleid tot voornoemde discussies, die naar mijn idee weinig met de essentie van dat plan te maken hebben en die de indruk laten ontstaan dat dit plan wel kan worden af geserveerd.

En dat is naar mijn idee doodzonde want dat plan, waarvan de basis al bijna een eeuw geleden werd gelegd in de vorm van het Chicago plan, is zeer veelbelovend. Het omvat een fundamentele wijziging in de opzet van ons huidige monetaire systeem, waardoor de rol en de machtspositie van de banken in dat systeem structureel wordt veranderd en de economie veel stabieler wordt gemaakt.

In de navolgende tekst doe ik een poging om die wijziging beknopt toe te lichten. Maar om dat de kunnen doen is het nodig om eerst te kijken naar de huidige opzet van dat systeem (eventuele onjuistheden in zijn geheel voor mijn rekening).

 

Ons huidige monetaire systeem

Het volgende schema toont de structuur op hoofdlijnen van ons huidige monetair systeem op de schaal van een individueel land zoals we dat in het westen kennen, en bij mijn weten ondertussen zo’n beetje in alle andere landen in de wereld.

 

Het schema is verdeeld in twee blokken: de sector overheid en de private sector (een derde blok, de sector buitenland, heb ik weggelaten omdat ze minder relevant is voor dit betoog). De sector overheid omvat de overheid en de centrale bank. En de private sector omvat de huishoudens, de niet-financiële bedrijven (verder bedrijven genoemd) en de banken. De huishoudens en de bedrijven zijn in het schema aangegeven als klanten van de banken.

In het plaatje zijn rode en oranje blokjes aangegeven. De oranje blokjes staan voor de rekeningen die de huishoudens en de bedrijven bij de banken aanhouden, en de rode blokjes staan voor de rekeningen die de banken en de overheid (onderdeel “schatkist”) bij de centrale bank aanhouden. Zoals je ziet heeft de centrale bank een spilfunctie in het systeem.

Geldsoorten

In ons huidige monetaire systeem gaan drie soorten geld om (euro’s even als voorbeeld genomen):

  • euro’s in de vorm van chartaal geld (cash: munten en bankbiljetten)
  • euro’s in de vorm van centrale bank saldo (reserves)
  • euro’s in de vorm van banksaldo (bankgeld)

In alle drie de gevallen betreft het tegenwoordig geld dat niet gemaakt is van iets waardevols en dat ook niet bij haar uitgever inwisselbaar is tegen iets waardevols. Daarmee is haar intrinsieke waarde nagenoeg nul. In jargon: fiat geld. Het huidige fiat geld tijdperk begon in 1971, met de ondergang van de laatste goudstandaard, die van Bretton Woods. Daarvoor was het geld veelal gemaakt van goud of zilver, of inwisselbaar tegen goud of zilver.

De eerste twee geldsoorten, chartaal geld en reserves, zijn het domein van de centrale bank. In een modern monetair systeem heeft alleen de centrale bank het recht om chartaal geld en reserves te creëren. De derde soort, banksaldo, is het domein van de banken.

 

De creatie van geld nader bezien

Reserves

De minst bekende geldsoort zijn de reserves. En dat komt omdat gewone huishoudens er nooit mee te maken hebben. Ze bestaan alleen in de computer van een centrale bank, en ze kunnen alleen worden gebruikt voor transacties tussen de rekeninghouders van die centrale bank. En dat zijn, zoals je in het plaatje kunt zien, de banken en de overheid. Reserves kunnen niet worden gebruikt voor het kopen van producten in de private sector. Kort gezegd: je kunt er nog geen brood mee kopen.

De centrale bank kan zulke reserves met een paar toetsaanslagen in haar computer uit het niets creëren, net zoals jij en ik een getal in een spreadsheet kunnen typen. En dat doet ze in de regel in twee situaties:

  1. als de banken reserves van de centrale bank willen lenen
  2. als de centrale bank van de banken financiële producten wil kopen

In de eerste situatie leent de centrale bank ze die reserves (verhoogt ze met wat toetsaanslagen hun reserve saldo), mits ze de centrale bank wel een onderpand van voldoende kwaliteit kunnen geven (hoewel die kwaliteitseis de laatste jaren steeds meer onder druk komt te staan) en mits ze bereid zijn een door de centrale bank vastgestelde rente te betalen. Op het hoe en waarom van de tweede situatie kom ik terug onder het kopje De centrale bank.

Als gezegd kan de centrale bank met een minimale inspanning uit het niets reserves creëren waarmee ze financiële producten kan kopen, bijvoorbeeld staatsobligaties. En omdat die reserves in ons fiat geld tijdperk niet inwisselbaar zijn tegen iets van waarde, ruilt ze dus feitelijk die obligaties tegen iets dat haar nagenoeg niets kost.

Chartaal geld

Chartaal geld is net als reserves het domein van de centrale bank. Alleen de centrale bank mag chartaal geld creëren. En dat doet ze op indirect verzoek van bedrijven en huishoudens, die dat chartale geld vervolgens ontvangen via de banken.

Feitelijk komt het er op neer dat de banken verplicht zijn om steeds voldoende chartaal geld in kas hebben en hun geldautomaten er goed mee gevuld houden, om de huishoudens en de bedrijven de gelegenheid te bieden om hun banksaldo om te zetten in chartaal geld als ze dat willen. Maar die banken moeten dat chartale geld dan wel eerst kopen bij de centrale bank, in ruil voor reserves.

Omdat een centrale bank tegen geringe kosten chartaal geld kan drukken en de banken overtollig chartaal geld hooguit weer bij de centrale bank kunnen inruilen tegen intrinsiek waardeloze reserves, maakt een centrale bank op het in omloop brengen van dat chartale geld bijna 100% winst. Die winst komt uiteindelijk ten goede aan de overheid (seigniorage), in de vorm van reserves die de banken aan de centrale bank betalen voor het kopen van dat chartale geld.

Overigens heeft econoom Ewoud Jansen wel een punt als hij stelt dat er met het drukken van geld geen waarde wordt gecreëerd, en dat seignorage in die zin een vorm van belastingheffing is. Maar dat terzijde.

Banksaldo

Banksaldo is met afstand de belangrijkste soort geld. Van al het geld in bezit van de huishoudens en de bedrijven bestaat circa 95% uit banksaldo (de rest is chartaal geld). De creatie van banksaldo is voorbehouden aan de banken en gaat op dezelfde wijze als de creatie van reserves door de centrale bank. Met andere woorden, een bank creëert met wat aanslagen op een toetsenbord banksaldo op de rekeningen van haar klanten. En dat doet ze in ruil voor leencontracten, netjes ondertekend door een klant, met daarin de voorwaarden voor rentebetaling en aflossing.

Je zou daarom kunnen denken dat de banken een forse vermogenswinst maken op de creatie van banksaldo, maar dat is niet zo. De banken hebben voor hun banksaldo scheppende werk een bankvergunning nodig. En die vergunning verplicht ze om banksaldo uit te betalen in chartaal geld of naar een andere bank over te hevelen (over te maken) als de klant dat wil. Dat laatste gaat in het kort als volgt:

  • klant A verzoekt bank A om X euro van haar saldo over te boeken naar een rekening van klant B bij bank B
  • bank A geeft dit verzoek door aan de centrale bank
  • de centrale bank verlaagt het reserve saldo van bank A met X euro, verhoogt het reserve saldo van bank B met X euro, en vraagt bank B om het saldo op de rekening van klant B met X euro te verhogen
  • bank B verhoogt het banksaldo van klant B met X euro

Kort gezegd: banksaldo is een schuld van de bank aan de eigenaar van dat banksaldo. Daarom moeten de banken bij het van elkaar overnemen van banksaldo worden gecompenseerd met een identiek bedrag aan reserves. En daarmee komen we bij de essentie van wat er gebeurt als we geld lenen van een bank: er worden schuldverklaringen uitgewisseld, namelijk ons leencontract tegen banksaldo.

Dat uitwisselen doen we omdat onze schuldverklaringen in de regel niet door anderen worden geaccepteerd als betaalmiddel, maar dat banksaldo wel. En dat komt doordat die banken op grond van hun bankvergunning wettelijk verplicht zijn om banksaldo uit te betalen in chartaal geld of over te maken naar een andere bank als de klant dat wil.

Al met al is banksaldo een schuld is van de bank en gaat haar creatie gepaard gaat met de creatie van een even grote schuld bij de ontvanger van dat banksaldo. Veel mensen denken dat die laatste schuld vervolgens gaat groeien ten opzichte van dat banksaldo, omdat de schuldenaars rente moeten betalen aan de bank, waardoor er banksaldo vernietigd wordt. Maar dat is te kort door de bocht.

Het klopt dat het totale uitstaande banksaldo daalt als een bank rente afboekt op het banksaldo van een klant. Maar dat zo afgeschreven (vernietigde) banksaldo wordt vervolgens nagenoeg geheel weer bijgeschreven (opnieuw gecreëerd) op de rekeningen van de werknemers, de aandeelhouders, de belastingdienst en de toeleveranciers. Slechts een klein deel verdwijnt definitief, waarmee die bank per saldo eigen vermogen opbouwt. Want dat eigen vermogen is simpelweg het verschil tussen het bezit (de uitstaande leningen) en de schuld (het uitstaande banksaldo) van die bank.

 

De centrale bank nader bekeken

Centrale banken zij geen gewone banken

Uit het voorgaande blijkt dat er een essentieel verschil is tussen een bank en een centrale bank. Omdat banksaldo voor een bank een schuld is, moet ze ervoor waken dat de waarde van haar uitstaande leningen steeds groter is dan de waarde van dat banksaldo. Zo niet, dan heeft die bank een negatief eigen vermogen. En de waarde van die leningen is simpel gesteld zo groot als de kans dat de geldleners die lening gaan terugbetalen. Anders gezegd, die banken moeten ervoor zorgen dat ze alleen banksaldo uitlenen aan voldoende betrouwbare (kredietwaardige) klanten.

Voor een centrale bank speelt dit probleem veel minder, want haar uitstaande geld, reserves en chartaal geld, vormt voor haar geen reële schuld (hoewel het wel als schuld op haar balans staat). Ze kan het immers altijd naar eigen goeddunken creëren in haar computer of drukken met haar geldpers. Ze kan dan ook niet failliet gaan, tenzij ze zo onverstandig is geweest om verplichtingen aan te gaan in een vorm die ze niet kan terugbetalen met eigengemaakt geld.

De consequentie hiervan is dat het voor een centrale bank niet zoveel uitmaakt of ze op papier een positief of een negatief eigen vermogen heeft, want haar schulden zijn feitelijk fictief (mits betaalbaar in eigengemaakt geld). Het concept eigen vermogen is voor een centrale bank dan ook van geringe betekenis. Het grootste risico dat ze loopt is dat ze haar betrouwbaarheid verkwanselt en daarmee het vertrouwen in de eigen munt ondergraaft.

Centrale banken zijn geen eigendom van de banken

Veel mensen denken dat de centrale banken het bezit zijn van de banken. Maar dat is niet zo. In sommige landen zijn hun aandelen weliswaar (deels) in handen van de banken. Maar, anders dan bij gewone bedrijven, geven die aandelen geen zeggenschap over die centrale banken, en hooguit recht op een heel beperkt deel van de winst.

Die winst komt nagenoeg geheel ten goede aan de overheid. En ze bestaat grotendeels uit rente die de centrale banken als bezitter van staatsobligaties eerder van die overheid hebben ontvangen. En daarmee komt die winstuitkering per saldo neer op het op en neer pompen van reserves tussen de overheid en de centrale bank. Een vestzak-broekzak operatie dus.

Bij het voorgaande moet wel worden opgemerkt dat, hoewel de centrale banken onder controle staan van de overheid, hun personeel betrokken wordt uit groepen waar ook de banken en andere financiële bedrijven uit werven. En dat geldt ook voor andere overheidsinstellingen die toezicht houden op de financiële sector, waardoor ze te kampen hebben met het draaideurprobleem.

Centrale banken sturen niet op de geldhoeveelheid

Veel, maar steeds minder mensen denken dat een centrale bank de creatie van banksaldo stuurt via het principe van de money multiplier. Dat principe zou erop neerkomen dat de centrale bank de banken verplicht om een zeker percentage van hun uitstaande banksaldo aan reserves aan te houden (de zgn. reserve vereiste) zodat ze de omvang van dat banksaldo kan sturen door de banken van meer of juist van minder reserves te voorzien.

In werkelijkheid doen de centrale banken echter iets anders, en dat is het sturen van de rentestand. Dat ze daarvoor hebben gekozen blijkt mede uit het feit dat steeds meer centrale banken hun reservevereiste afschaffen (o.a. Canada, het VK en Australië) of tot een symbolisch laag niveau verlagen (o.a. de ECB). En er is een praktische reden dat ze dat doen, namelijk omdat ze denken dat het sturen van de rentestand een veel effectiever middel is om hun feitelijke doel, het in goede banen leiden van de ontwikkeling van de economie, te bereiken.

Want met het sturen van de rentestand kan het lenen van geld aantrekkelijker (lagere rente) of juist onaantrekkelijker (hogere rente) wordt gemaakt. En daarmee kan worden bereikt dat bedrijven meer of juist minder gaan lenen om te investeren en dat huishoudens meer of juist minder gaan lenen om huizen en auto’s en dergelijke te kopen. En dat leidt tot een versterking of juist een verzwakking van de groei van de economie.

Bij hun stuurwerk gebruiken de centrale banken het niveau van de (consumenten)prijsinflatie als een soort thermometer voor de staat van de economie. Is ze te hoog (“oververhitting”), dan proberen ze haar te corrigeren door de rente te verhogen om de bedrijven en de huishoudens af te remmen in hun investerings- en consumptiedrift. En als ze te laag is (overmatige “afkoeling”), dan verlagen ze de rente om de bedrijven en de huishoudens te stimuleren in die investerings- en consumptiedrift. Uiteraard werkt dit beleid ook door op de omvang van het uitstaande banksaldo, maar die omvang is geen primair doel van dat beleid.

Ondertussen is wel duidelijk geworden dat deze stuurmethode niet goed werkt. Critici wijzen er daarbij vooral op dat de centrale banken niet in staat zijn gebleken om de omvang en de bestemming van de door de banken verstrekte leningen te sturen, waardoor er veel te veel schulden zijn gecreëerd en er op de huizenmarkt en de financiële markten grote zeepbellen zijn ontstaan.

Overigens gaat het sturen van de rentestand niet samen met het sturen van de geldhoeveelheid. Want als de centrale bank de rente op een bepaald niveau wil houden, dan zal ze bij die rentestand precies aan de vraag naar reserves van de banken moeten voldoen. Zou ze dat namelijk niet doen, dan zouden die banken bij een tekort proberen om ze van elkaar te lenen en bij een overschot proberen om ze aan elkaar uit te lenen, met als gevolg een verstoring van die rentestand.

Tenslotte nog de kanttekening dat de centrale banken ook als taak hebben om de stabiliteit van de banken te bewaken. En dat doen ze door eisen te stellen aan het buffervermogen van die banken (solvabiliteitseisen) en aan het gemak waarmee deze bezittingen kunnen verkopen (liquiditeitseisen), om steeds in voldoende mate te kunnen garanderen dat hun klanten hun saldo kunnen opnemen of overmaken naar een andere bank als ze dat zouden willen.

 

De beperkte rol van de banken

Gelet op het voorgaande zou je kunnen denken dat de creatie van banksaldo min of meer gelijk op gaat met de creatie van schuld van huishoudens en bedrijven. En gezien de discussies op FTM zou je bijna kunnen denken dat dit de enige wijze is waarop schuldcreatie door huishoudens en bedrijven plaatsvindt. Maar dat is niet zo, wat wel blijkt uit de volgende tabel waarin alle financiële bezittingen en verplichtingen van de Nederlandse huishoudens, bedrijven, banken, centrale bank en overheid (de sector binnenland) per eind 2013 zijn aangegeven. De gegevens zijn afkomstig van het CBS (sectorrekeningen).

 

Wat je ziet is dat we ruim achttien keer de omvang van onze economie aan verplichtingen met elkaar en met het buitenland zijn aangegaan. Verder zie je dat dat onze bezittingen iets hoger zijn dan onze schulden doordat we een netto vordering op het buitenland hebben opgebouwd. Iets anders dat opvalt, is dat het geld maar circa een achtste deel van het totaal uitmaakt, en dat de omvang van de uitstaande leningen een stuk groter is dan de hoeveelheid geld. Hoe kan dat?

Het antwoord is eigenlijk tamelijk simpel: we lenen massaal bestaand banksaldo aan elkaar uit, bijvoorbeeld als we staatsobligaties, bedrijfsobligaties of bankobligaties kopen. En we gebruiken dat banksaldo ook nog eens om financiële producten van elkaar te kopen, bijvoorbeeld aandelen van bedrijven, of beleggingsfondsen van een bank of een ander financieel bedrijf, of pensioen- en verzekeringsproducten van banken of verzekeraars. Daar komt nog bij dat een bank niet alleen banksaldo creëert als ze aan een huishouden of bedrijf een lening verstrekt, maar ook als ze van een huishouden of bedrijf (of een niet-bancair financieel bedrijf) obligaties of aandelen koopt.

De essentie is dat de hoeveelheid banksaldo die we met z’n allen aanhouden ten opzichte van al die andere financiële producten, maar ook ten opzichte van niet-financiële producten zoals onroerend goed, onze gezamenlijke keuze is. We kunnen onze bezittingen en schulden min of meer naar eigen wens over die financiële en niet-financiële producten verdelen. En bij die keuze spelen onze toekomstverwachtingen en de relatieve prijzen van die producten een belangrijke rol.

 

Het plan van de Stichting Ons Geld

Terug naar het plan van de Stichting ons geld. Dat plan is als al gezegd gebaseerd op het Chicago plan, indertijd helder verwoord door de befaamde Amerikaanse econoom Irving Fisher, en op het daarop voortbouwende werk van de Britse beweging Positive Money, onder meer uiteengezet in dit goed leesbare artikel. Ik heb het plan hierna in mijn eigen woorden kort samengevat.

De essentie van het plan is simpel: schrap in het schema in het begin van dit artikel de middelste van de drie lagen waaruit ons huidige monetaire systeem bestaat. Anders gezegd, schrap de banken. Dat zou betekenen dat we niet langer rekeningen aanhouden bij de banken, maar bij de centrale bank, en dat we elkaar niet langer betalen met banksaldo, maar met reserves.

Dat laatste zou inhouden dat de centrale bank een omvangrijk betalingssysteem moet optuigen, terwijl de banken al beschikken over zo’n systeem, dat daarvoor prima zou kunnen worden gebruikt. Daarom, en omdat het gemakkelijker is voor de uitleg van het plan, ga ik nu gemakshalve uit van de volgende tussenvorm (zie ook dit artikel): de overheid leent de banken een hoeveelheid reserves die gelijk is aan de omvang van hun uitstaande banksaldo, waarna de banken worden opgesplitst in geldbanken (die al dan niet in bezit komen van de centrale bank) en leenbanken. Het eindresultaat komt functioneel overeen met het plan van de Stichting en is in het volgende schema weergegeven.

 

Al met al wordt de huidige “banken laag” in het monetaire systeem vervangen door een “geldbanken laag” en worden de huidige banken “gedegradeerd” tot niet-geldscheppende (niet-bancaire) financiële instellingen, ter onderscheid verder leenbanken genoemd. Die leenbanken moeten hun betalingsverkeer voortaan regelen via de geldbanken, net zoals bedrijven, huishoudens en bestaande niet-bancaire financiële instellingen zoals verzekeraars, pensioenfondsen en beleggingsfondsen dat moeten doen. Ze zijn al met al geen echte banken meer, maar zijn een soort investeringsfondsen geworden.

De geldbanken nader bezien

De geldbanken hebben als taak om het saldo van hun klanten bij te houden en het betalingsverkeer regelen. Ze mogen geen leningen verstrekken en niet op eigen initiatief nieuw banksaldo creëren. Dat betekent dat alleen de overheid daartoe nog het initiatief kan nemen. En dat doet ze door geld te storten op de rekeningen van de klanten van die geldbanken.

Per saldo komt dat storten van geld er op neer dat de overheid de geldbanken opdracht geeft om saldo bij te schrijven op de rekeningen van hun klanten, waarna ze die geldbanken hetzelfde bedrag aan reserves verstrekt. Dit betekent dat de balans van de geldbanken steeds neutraal blijf, zodat dat banksaldo feitelijk equivalent is aan reserves.

De geldbanken ontvangen van de centrale bank geen rente op hun reserves en hebben dan ook geen inkomen. Daarom kunnen ze geen rente op het uitstaande banksaldo betalen en zullen ze bij hun klanten een beheervergoeding in rekening moeten brengen (de Stichting gaat uit van minder dan 5 euro per maand).

Je kunt bij een geldbank dus alleen maar betaalrekeningen (in Stichting-jargon: transactierekeningen) aanhouden, waar je bovendien voor moet betalen. Daar staat echter tegenover dat je banksaldo nu geheel is afgedekt met reserves, zodat je niet langer het risico loopt je geld kwijt te raken door een bank run.

De leenbanken nader bekeken

De leenbanken zijn als gezegd “gedegradeerd” tot niet-bancaire financiële instellingen. Dat betekent dat ze zelf geen banksaldo meer mogen creëren om uit te lenen en dat ze hun geldverkeer moeten afhandelen via de geldbanken, net als de huishoudens, de bedrijven en de al bestaande niet-bancaire financiële instellingen dat doen.

Daardoor kunnen die leenbanken alleen nog maar geld uitlenen dat ze eerst zelf van andere rekeninghouders van de geldbanken hebben geleend en op hun rekening gestort hebben gekregen. En daarmee wordt feitelijk de situatie gecreëerd waarvan veel mensen onterecht denken dat het de nu bestaande situatie is.

Klanten van geldbanken kunnen als ze dat willen geld uitlenen aan leenbanken in ruil voor schuldverklaringen van die leenbanken, waarin is aangeven hoe lang en tegen welke rentevergoeding dat geld is uitgeleend. In het voorstel van de Stichting worden die schuldverklaringen aangeduid als investeringsrekeningen.

De investeringsrekeningen vallen niet onder de reservedekking (want het zijn immers geen geldbank rekeningen), zodat die klanten het risico lopen het door hen uitgeleende geld kwijt te raken als er een leenbank failliet gaat. Maar omdat de leenbanken gescheiden zijn van de geldbanken heeft dat geen gevolgen voor het betalingssysteem. En daarmee vervalt een belangrijk deel van het too big to fail probleem waarmee de banken de politiek momenteel gegijzeld houden.

Niettemin blijft het belangrijk om eisen te stellen aan – en toezicht te houden op de solvabiliteit, de liquiditeit en het uitleengedrag van de leenbanken, om hun geldschieters zo goed als redelijkerwijs mogelijk is te behoeden voor excessief riskant gedrag en fraude, en om die leenbanken zoveel als wenselijk is te kunnen sturen in de bestemming van het door hen uitgeleende geld.

De nieuwe rol van de centrale bank

In het huidige systeem probeert de centrale bank de economische activiteit te beïnvloeden door de interbancaire rente te sturen, waarbij de ze inflatie als “thermometer” gebruikt. In het plan van de Stichting gebruikt de centrale bank nog steeds de inflatie voor dat doel, maar stuurt ze niet langer de rente (dat laat ze voortaan aan de markt over). In plaats daarvan stuurt ze de hoeveelheid geld. En dat doet ze door nieuw gecreëerd geld in omloop te brengen, of juist terug te halen.

De centrale bank kan op meerdere manieren nieuw gecreëerd geld in omloop brengen:

  • door extra overheidsuitgaven of belastingverlagingen te betalen
  • door dat geld direct aan burgers te verstrekken (bijvoorbeeld via een modern debt jubilee)
  • door bestaande staatsschuld op te kopen
  • door het uit te lenen aan de leenbanken, peer-to-peer netwerken of overheidsleenbanken

In het laatste geval kan ze als randvoorwaarde stellen dat dit geld alleen wordt gebruikt voor het financieren van projecten in de reële economie, bijvoorbeeld leningen voor investeringen door niet-financiële bedrijven en voor het financieren van de aankoop van nieuwe eigen woningen. Daarmee kan het probleem worden aangepakt dat de banken in de huidige situatie het overgrote deel van het door hen nieuw gecreëerde geld uitlenen voor per saldo speculatieve doeleinden, met als gevolg zeepbellen op de huizenmarkt en op de financiële markten.

Indien dat onverhoopt nodig mocht blijken, kan de centrale bank ook weer geld uit omloop halen, bijvoorbeeld door centrale bank obligaties te verkopen.

Verdere voordelen van het plan van de Stichting

Een van de grootste problemen van het huidige monetaire systeem is dat de banken geneigd zijn om in goede tijden, als de prijs van onderpand zoals onroerend goed oploopt, teveel leningen in de economie te pompen en in zwakke tijden, als die prijs juist onder druk komt te staan, te weinig leningen te verstrekken. 

Het gevolg hiervan is dat de banken de conjunctuurcyclus niet dempen maar juist versterken, met als ultiem risico een schuld deflatie, waarin al dan niet gedwongen schuld-afbouw door bedrijven en huishoudens de economie in een neerwaartse spiraal brengt. Met het plan van de Stichting wordt dit probleem opgelost doordat het niet langer de banken zijn die de hoeveelheid geld in omloop sturen, maar de centrale bank die taak heeft overgenomen en de economie daardoor direct kan stimuleren.

Een bijkomend voordeel van het plan is dat de creatie van nieuw geld niet langer automatisch gepaard gaat met de creatie van extra schuld, en omgekeerd dat de aflossing van schuld niet langer automatisch gepaard gaat met de vernietiging van geld. Daardoor leidt economische groei niet langer automatisch tot schuldgroei en is de directe koppeling tussen de hoeveelheid geld in omloop en de hoeveelheid uitstaande schuld verbroken.

Zijn er ook nadelen?

Tegenstanders van het plan stellen dat het onnodig is omdat de banken met extra regelgeving ook wel weer in het gareel kunnen worden gebracht. Of dat er te weinig krediet in de economie wordt gebracht. Of dat de rente dan te ver oploopt. Of dat er deflatie zou optreden, of juist inflatie, of zelfs hyperinflatie. Of dat de centrale bank over onvoldoende informatie beschikt om de geldhoeveelheid effectief te kunnen sturen.

De recente geschiedenis heeft op pijnlijke wijze geleerd dat het “regelgeving” argument ongeldig is. En de “te weinig krediet” en “te hoge rente” argumenten zijn niet geldig omdat de centrale bank bij een te krap aanbod van bestaand geld altijd nieuw geld in omloop kan brengen, al dan niet in de vorm van leningen aan leenbanken, peer-to-peer netwerken of overheidsleenbanken.

Verder zijn de “deflatie” en ”inflatie” argumenten ongeldig omdat de centrale bank als vanouds op het niveau van de inflatie kan blijven sturen, en dat bovendien veel effectiever kan doen dan nu het geval is. En ook het “onvoldoende informatie” argument is niet van geldig omdat de leenbanken de verstrekking van een groot deel van de leningen voor hun rekening blijven nemen, net als de banken nu al doen. Alleen zullen de leenbanken beperkt worden tot het uitlenen van al bestaand geld.

Al met al hebben die tegenstanders geen sterke argumenten tegen het plan kunnen opwerpen. Voor verdere details hierover, zie de website van de Stichting Ons geld en vooral het al eerder genoemde, uitstekend leesbare rapport van de Positive Money beweging.

 

Terug naar de voorstellen van de Stichting Ons Geld

Per saldo is het plan van de Stichting Ons Geld, grotendeels gebaseerd op het al eerder genoemde Chicago plan en het werk van de Positive Money beweging, een naar mijn idee uitstekend en goed onderbouw plan, dat absoluut nadere aandacht van de politiek verdient, en dat wel eens een beslissende stap zou kunnen betekenen in de bestrijding van de crisis waar we nog steeds inzitten.

Uit de discussies op FTM blijkt echter dat het plan die aandacht niet zal krijgen als het niet heel duidelijk wordt gecommuniceerd omdat dan het risico bestaat dat het complete plaatje uit het oog wordt verloren. Wat dat betreft nog even terug naar de voorstellen van Stichting Ons Geld:

  1. Geld dient enkel gecreëerd te worden door middel van een democratisch en transparant orgaan dat handelt vanuit het algemeen belang
  2. Geld moet vrij van schuld worden gecreëerd
  3. Geld moet in de reële (niet-financiële) economie terecht komen voordat het in financiële markten en vastgoedzeepbubbels terecht komt.
  4. Banken moeten niet worden toegestaan​​ om geld te creëren

Het eerste voorstel is conform het beschreven plan, waarbij de centrale bank m.i. de met afstand meest voor de hand liggende organisatie is om die taak te vervullen. Sterker nog, als die taak bij een andere organisatie zou worden neergelegd, dan zou die organisatie feitelijk kerntaken van de centrale bank overnemen. Ook het tweede voorstel is conform het plan, met als nuancering dat het door de centrale bank uitlenen van nieuw gecreëerd geld aan bijvoorbeeld leenbanken wel degelijk leidt tot meer schuld. 

Het derde voorstel is in zoverre onjuist dat het alleen van toepassing is op nieuw gecreëerd geld, maar uit de toelichting op de website van de Stichting blijkt dat hiermee ook alleen nieuw gecreëerd geld wordt bedoeld. Dus per saldo is ook dit voorstel correct. En het vierde voorstel tot slot, behelst feitelijk niet meer of minder dan de kerndoelstelling van het plan.

© Anton van de Haar, februari 2015    Dit artikel is ook verschenen op www.FTM.nl


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.