Antons economie pagina

Een andere kijk op onze economie

Dit is het vervolg van het vorige artikel, Een reëel monetaire systeem - I


Bankreserves

Laten we eens in meer detail kijken naar wat er gebeurt als een klant van bank 1 iets koopt van een klant van bank 2 en het verschuldigde bedrag overmaakt. Dan gebeurt er in het kort het volgende:

  1. de koper geeft bank 1 opdracht tot overboeking van het koopbedrag;
  2. bank 1 schrijft het bedrag af van de rekening van de koper, d.w.z verlaagt haar IOU aan de koper en meldt de overdracht aan het interbancaire betaalsysteem (dat gecontroleerd wordt door de centrale bank);
  3. het interbancaire betaalsysteem geeft de overboeking door aan bank 2;
  4. bank 2 schrijft het bedrag bij op de rekening van de ontvanger, d.w.z verhoogt haar IOU aan de ontvanger;
  5. het interbancaire betaalsysteem geeft de overboeking door aan de centrale bank;
  6. de centrale bank verlaagt het reservesaldo van de bank 1 met het koopbedrag en verhoogt het reservesaldo van bank 2 met het koopbedrag.

Precies zoals je zou verwachten is er per saldo alleen geld verplaats van de centrale bank rekening van bank 1 naar de centrale bank rekening van bank 2. Het totaal van de bankreserves is hetzelfde gebleven.

Wat kan dan wel de totale omvang van de bankreserves veranderen? Zoals we al hebben gezien nemen ze toe als de centrale bank fiatgeld leent aan de banken. Dat betekent dat ze weer moeten afnemen als de centrale bank fiatgeld terug ontvangt van de banken. Op dezelfde manier nemen de bankreserves toe als de overheid een betaling doet aan de private sector en nemen ze weer af als de overheid belastingen int. En we hebben ondertussen ook gezien dat ze afnemen al de overheid staatsobligaties verkoopt aan de private sector en dat ze weer toenemen als de centrale bank die terugkoopt. Wat we nog niet gezien hebben is dat ze ook toenemen als de overheid rente over die staatsobligaties betaalt aan de private sector.

Maar er is nog een manier waarop die bankreserves kunnen veranderen en dat is als er handel plaatsvindt met het buitenland.


Het buitenland

De sector Buitenland omvat zowel de overheden als de private sectoren van alle andere landen in de wereld. Dus alle andere landen met hun respectievelijke overheden en private sectoren worden op een hoop gegooid. Omdat zowel de eigen private sector als de eigen overheid transacties aangaan met de sector buitenland is er sprake van de volgende geldstromen:


Stel je voor dat een koper uit land A een aankoop doet bij een verkoper in land B en dat hij de verkoper een bedrag X wil betalen in de valuta van land B. Hij moet dan geld overmaken van zijn bank, bank 1 uit de voorgaande voorbeelden, naar de bank van de verkoper, bank B in land B. Hoe gaat dat dan in zijn werk?

Banken maken voor dit doel meestal gebruik van een netwerk van zogenaamde correspondent banks. Ze openen bij elkaar een rekening in de lokale valuta. Vervolgens creëren ze op de rekening van de andere bank een flinke som aan kredietgeld, in ruil voor een IOU. Een andere mogelijkheid is dat ze een netwerk van eigen bankvestigingen aanhouden in andere landen (zgn. netwerk banken).

Terug naar het voorbeeld. Stel dat bank 1 gebruik maakt van correspondent banking. Daartoe heeft ze in land B een correspondent bank gezocht. Om hun betalingsverkeer te kunnen afhandelen hebben beide banken een rekening in de lokale valuta bij de ander geopend. Bank 1 heeft vervolgens een flinke som kredietgeld op de rekening van de correspondent bank gecreëerd, in ruil voor een IOU van de correspondent bank. De correspondent bank heeft hetzelfde gedaan op de rekening van bank 1, in ruil voor een IOU van bank 1. Bedenk dat er hierbij geen cent aan fiatgeld, echt geld, tussen bank 1 en de correspondent bank is verplaatst.

Als de koper in land A vervolgens geld overmaakt naar de verkoper, dan gebeurt het volgende:

  1. de koper in land A geeft zijn bank 1 opdracht tot overboeking van bedrag X in valuta B;
  2. bank 1 schrijft bedrag X, omgerekend naar valuta A op basis van de dan geldende wisselkoers A/B, af van de rekening van de koper, d.w.z verlaagt haar IOU aan de koper;
  3. bank 1 meldt de overboeking aan zijn correspondent bank in land B, met het verzoek om bedrag X van zijn rekening over te maken naar de verkoper bij bank B;
  4. de correspondent bank schrijft het bedrag X af van de rekening die bank 1 bij haar aanhoudt en meldt de overdracht aan het interbancaire betaalsysteem van land B (dat gecontroleerd wordt door centrale bank B);
  5. het interbancaire betaalsysteem van land B geeft de overboeking door aan bank B;
  6. bank B schrijft het bedrag X bij op de rekening van de ontvanger, d.w.z verhoogt haar IOU aan de ontvanger;
  7. het interbancaire betaalsysteem van land B geeft de overboeking door aan centrale bank B;
  8. centrale bank B verlaagt het saldo van de correspondent bank met bedrag X en verhoogt het saldo van bank B met dit bedrag.

De reden voor het kiezen van deze methode in plaats van het voor elke transactie opnieuw wisselen van geld is dat de netto geldstroom tussen twee banken in de regel veel kleiner is dan de bruto geldstroom, de som van alle geldstromen die op en neer gaan. Dat komt omdat er zowel betalingen van land A naar land B gaan als omgekeerd. De totale bruto geldstroom tussen de banken in de wereld is op dagbasis meer dan 20 keer zo groot als de netto geldstroom.

Niettemin treden er wel netto geldstromen op, dus nu en dan moeten er IOU’s afgerekend worden met echt fiatgeld. Hoe gaat dat in zijn werk? Stel je voor dat bank 1 veel meer betalingen doet vanaf haar rekening bij haar correspondent bank in land B dan omgekeerd. Haar rekening bij de correspondent bank loopt dan veel sneller leeg dan de rekening van de correspondent bank bij haarzelf. Hetzelfde geldt dan voor de rekening van de correspondent bank bij haar eigen centrale bank B. De correspondent bank ziet haar saldo op die rekening dan snel afnemen en wil dat bank 1 dat bedrag aanvult met vers fiatgeld.

Hoe gaat dat in zijn werk? Bank 1 zou een deel van zijn saldo aan fiatgeld op zijn rekening bij zijn eigen centrale bank A kunnen overmaken naar de rekening van de correspondent bank bij centrale bank B. Maar dan treedt er een technisch probleem op! Elektronisch fiatgeld dat op rekeningen bij een centrale bank staat kan helemaal niet worden overgemaakt. Want dat geld is feitelijk niet meer dan wat getalletjes in een spreadsheet dat de centrale bank bijhoudt van alle reserverekeningen die ze beheert.

Om dit probleem op te lossen houden de centrale banken rekeningen aan bij elkaar. Wat centrale bank A vervolgens doet is dat ze het bedrag dat bank 1 wil overmaken naar haar correspondent bank in plaats daarvan overmaakt naar de rekening die centrale bank B bij haar aanhoudt. Dus ze verlaagt het saldo van bank 1 en verhoogt het saldo van centrale bank B met hetzelfde bedrag. Centrale bank B verhoogt vervolgens het saldo van de correspondent bank met dit bedrag, omgerekend naar valuta B.

NB. Het elektronische fiatgeld dat een centrale bank heeft verstrekt kan de reserverekeningen die bij haar worden aangehouden dus niet verlaten. Dat heeft belangrijke consequenties. Neem de VS. Chinese bedrijven hebben in de afgelopen jaren gigantische hoeveelheden goederen naar de VS geëxporteerd. De dollars die ze daarvoor in ruil hebben gekregen, hebben ze bij de Chinese centrale bank omgeruild voor yuans, die de Chinese centrale bankl voor dat doel heeft gecreëerd. 

Het netto effect daarvan is dat de Chinese centrale bank nu een tegoed heeft bij de Amerikaanse centrale bank van ruim 3.000.000.000.000 dollar. Het overgrote deel van dat geld heeft ze bij de Amerikaanse centrale bank omgeruild voor Amerikaanse staatsobligaties. Dat tegoed, in de vorm van reserves en van staatsobligaties, bestaat uit niets meer dan wat getalletjes in het spreadsheet van de Amerikaanse centrale bank.

De Chinese centrale bank kan dat tegoed niet terughalen naar China. De enige manier om er van af te komen is om die dollars uit te geven aan iets tastbaars.

Terug naar het voorbeeld, uitgaande van de laatste balans van centrale bank A in het artikel Een reeel monetair systeem  - 1. Stel dat bank 1 een bedrag van 100 gulden aan fiatgeld van haar centrale bank rekening heeft overgemaakt naar haar correspondent bank en dat valuta B de helft van de waarde heeft van valuta A, dus A = 2 * B. Dan leidt die transactie tot de volgende balansen van centrale bank A en centrale bank B:

Centrale bank A


Bezittingen

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de schatkist

IOU’s gekregen van de banken

Fysiek geld in omloop

Bank A reserve rekening

Bank 2 reserve rekening

Schatkist rekening

Centrale bank B

Fiatgeld

 

 

 

-1000  + 100

-500

500

0 - 100

IOU’s

1.000

1.000

 

 

 

 

 

Som

1.000

1.000

 

-900

-500

500

-100

Centrale bank B


Bezittingen

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de   schatkist

IOU’s gekregen van de banken

IOU’s gekregen van Centrale bank A*

Fysiek geld in omloop

Bank B reserve rekening

Schatkist rekening

Fiatgeld

 

 

 

 

0 - 200

 

IOU’s

 

 

0 + 200

 

 

 

Som

 

 

200

 

-200

 

*: waarde uitgedrukt in valuta B

NB. Het saldo van centrale bank B bij Centrale bank A is in haar eigen balans aangegeven als een IOU en niet als fiatgeld omdat dit saldo fiatgeld van centrale bank A betreft.

Het netto effect is dus dat zo’n betaling leidt tot zowel een toename van de IOU’s van centrale bank B bij centrale bank A, als een toename van de IOU’s van bank B bij centrale bank B. Stel nu dat land A een aanhoudend handelstekort heeft met land B. Met andere woorden, land A koopt aanhoudend meer in land B dan omgekeerd. Dat betekent dat er een aanhoudende geldstroom optreedt van land A naar land B. Uit het voorbeeld hiervoor blijkt dat deze geldstroom zich als fiatgeld ophoopt op de rekening van centrale bank B bij Centrale bank A.

Stel je voor dat er nog eens 4 van dat soort betalingen plaatsvinden en de wisselkoers A = 2 * B blijft, dan zien de balansen van centrale bank A en centrale bank B er als volgt uit:

Centrale bank A


Bezittingen

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de schatkist

IOU’s gekregen van de banken

Fysiek geld in omloop

Bank 1 reserve rekening

Bank 2 reserve rekening

Schatkist rekening

Centrale bank B

Fiatgeld

 

 

 

-900 + 400

-500

-500

-100 - 400

IOU’s

1.000

1.000

 

 

 

 

 

Som

1.000

1.000

 

-500

-500

-500

-500

Centrale bank B


Bezittingen

 

 

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de schatkist

IOU’s gekregen van de banken

IOU’s gekregen van Centrale bank A*

Fysiek geld in omloop

Bank B reserve rekening

Schatkist rekening

Fiatgeld

 

 

 

 

-200 - 800

 

IOU’s

 

 

200 + 800

 

 

 

Som

 

 

1.000

 

-1.000

 

*: waarde uitgedrukt in valuta B

Wat je ziet is dat het fiatgeld op de balans van centrale bank A langzaam maar zeker verhuist naar de rekening van centrale bank B bij centrale bank A. Tegelijkertijd ziet centrale bank B op haar balans het saldo van Bank B met een even groot bedrag toenemen (en ziet bank B op haar balans natuurlijk het saldo van haar klanten met hetzelfde bedrag toenemen).

Een voorbeeld van zo’n situatie zijn de VS en China. De VS importeert veel meer uit China dan omgekeerd. Daardoor heeft de Chinese centrale bank door de jaren heen een enorm saldo opgebouwd op haar rekening bij de Amerikaanse centrale bank. Dat geld heeft ze daar echter niet laten staan, omdat de Amerikaanse centrale bank nauwelijks rente betaalt over dat saldo. In plaats daarvan heeft ze er Amerikaanse staatsobligaties van gekocht.


Een bijzonder geval: het Eurosysteem

Een bijzondere situatie bestaat in de Eurozone. De monetaire autoriteit in de Eurozone is het Eurosysteem, dat bestaat uit de Europese centrale bank (ECB) en de centrale banken van de 17 Eurolanden. De ECB is binnen het Eurosysteem het beleidsbepalende orgaan en de 17 centrale banken zijn de uitvoerende organen. 

Hoewel de Eurolanden een gezamenlijke munt hebben ingevoerd, zijn de oude nationale monetaire structuren in stand gehouden. Het interbancaire geldverkeer binnen de Eurolanden wordt als vanouds door de eigen centrale bank afgehandeld, door het verplaatsen van bankreserves in de computer van de centrale bank. En ook het geldverkeer tussen de 17 Eurolanden loopt via de centrale banken, door middel van het verhogen en verlagen van de reserves die de centrale banken bij elkaar aanhouden, precies zoals hiervoor is beschreven. 

Het voorgaande betekent dat de elektronische euro's die in een bepaald Euroland door de eigen centrale bank zijn gecreerd dat land dus niet kunnen verlaten, precies als vroeger het geval wat met de eigen valuta. Het gevolg van de gekozen structuur is dat de verschillende centrale banken in het geval van ongelijke geldstromen netto bezittingen dan wel verplichtingen bij elkaar opbouwen. Het Eurosysteem is hierin tussenpersoon, zodat de verschillende centrale banken bezittingen dan wel verplichtingen opbouwen bij het Eurosysteem en niet bij elkaar. 


Het totale plaatje

Een paar pagina’s geleden, toen ik de sector buitenland nog buiten beschouwing liet (feitelijk deed alsof deze niet bestond) zag de totale financiële balans er als volgt uit:

          Balans overheid + Balans private sector = 0

Nu is daar het buitenland bijgekomen. Opnieuw geldt per definitie (omdat veranderingen in bezittingen per definitie tot tegengestelde veranderingen in verplichtingen leiden) dat:

          Balans overheid + Balans private sector + Balans buitenland = 0

Maar is dat echt zo?

Wat gebeurt er bijvoorbeeld als land B een ontwikkelingsland is en overheid A ontwikkelingshulp geeft aan overheid B. Stel bijvoorbeeld dat ze 250 gulden aan overheid B geeft, waarvoor ze dus geen IOU’s terugkrijgt. Centrale bank A verlaagt dan het saldo op de rekening van de Schatkist met 250 gulden en verhoogt het saldo op de rekening van centrale bank B met 250 gulden. De IOU’s van centrale bank A aan centrale bank B stijgen dus van 1.000 naar 1.500 in valuta B. Centrale bank B verhoogt vervolgens het saldo van de Schatkistrekening van overheid B naar 1.500 in valuta B. Dan zien de balansen er als volgt uit (merk op dat ik nog steeds uitga van A = 2 * B):

Centrale bank A


Bezittingen

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de schatkist

IOU’s gekregen van de banken

Fysiek geld in omloop

Bank 1 reserve rekening

Bank 2 reserve rekening

Schatkist rekening

Centrale bank B

Fiatgeld

 

 

 

-500

-500

-250

-750

IOU’s

1.000

1.000

 

 

 

 

 

Som

1.000

1.000

 

-500

-500

-250

-750

Centrale bank B


Bezittingen

Verplichtingen

 

IOU’s gekregen van de schatkist

IOU’s gekregen van de banken

IOU’s gekregen van Centrale bank A*

Fysiek geld in omloop

Bank B reserve rekening

Schatkist rekening

Fiatgeld

 

 

 

 

-1.500

 

IOU’s

 

 

1.500

 

 

 

Som

 

 

1.500

 

-1.500

 

*: waarde uitgedrukt in valuta B

Zoals je ziet zijn de balansen van de beide centrale Banken nog steeds in evenwicht. Maar de netto waarde van de financiële bezittingen van overheid A (de IOU’s gekregen van bank 1 en bank 2 minus het saldo op de rekeningen van die banken en van centrale bank B) zijn gedaald tot 1000 – 500 – 500 -750 = -750 gulden (bedenk daarbij dat de IOU’s van de Schatkist en het saldo op de schatkistrekening allebei IOU’s van de overheid aan zichzelf zijn).

Tegelijkertijd is de netto waarde van de financiële bezittingen van overheid B (de IOU’s gekregen van centrale Bank A) gestegen naar 1.500 in valuta B, omgerekend dus 750 gulden (bedenk opnieuw dat het saldo op de schatkistrekening IOU’s van de overheid aan zichzelf zijn).

Als je dezelfde rekenexercitie doet op basis van de balansen op de vorige pagina, dan vindt je een netto waarde van de financiële bezittingen van overheid A van -500 gulden en een netto waarde van de financiële bezittingen van overheid B van 1.000 in valuta B, omgerekend dus 500 gulden.

Als je deze berekening niet vertrouwt dan kun je dezelfde exercitie nog een keer herhalen met een ander voorbeeld, bijvoorbeeld ervan uitgaande dat overheid A die 250 gulden betaalt door eerst 250 gulden belasting te innen van de private sector. Als je dat doorrekent, dan vind je dat overheid B nog steeds 250 gulden (500 in valuta B) rijker is geworden, maar dat in plaats van overheid A nu private sector A 250 gulden armer is geworden. Probeer maar eens wat anders, steeds zul je weer vinden:

          Balans overheid + Balans private sector + Balans buitenland = 0

In de volgende figuur (bron: Randall Wray) zijn voor de VS de drie balansen in een figuur weergegeven, uitgedrukt als percentage van de nominale omvang van de economie. De balans van de private sector is blauw aangegeven, die van de sector overheid rood en die van de sector buitenland (capital account) groen.


Duidelijk is te zien dat de balansen steeds weer optellen tot nul, precies zoals het hoort. Wat je ook ziet is dat de balansen van de Amerikaanse overheid en private sector heel lang min of meer tegengesteld waren. D.w.z als de een positief was, dan was de ander ongeveer in dezelfde mate negatief. Maar sinds het begin van de jaren ’80 is dat langzaam maar zeker veranderd omdat Amerika een steeds groter handelstekort kreeg met het buitenland. 

In de jaren voor de huidige crisis waren zowel de balans van de private sector als de balans van de overheid negatief: Amerika leefde op de pof en het buitenland financierde dat. Sinds het losbreken van de crisis situatie spaart de private sector weer, ondanks een nog steeds fors handelstekort, met dank aan de overheid die momenteel een enorm begrotingstekort heeft.


Een voorbeeld: de Eurozone en Target2

Voor de afwikkeling van het geldverkeer binnen de Eurozone wordt het Target2 systeem gebruikt. Dat systeem is eigendom van het Eurosysteem. Alle geldstromen in het Eurosysteem moeten worden afgehandeld met Target2. Zoals eerder opgemerkt leidt de opzet van het monetaire systeem van de Eurozone ertoe dat de centrale banken van de verschillende Eurolanden geen bezittingen of verpichtingen opbouwen bij elkaar, maar bij het Eurosysteem. Het Eurosysteem fungeert dus als tussenpersoon. En alle Eurolanden samen staan garant voor het Eurosysteem. 

De verplichtingen zijn terug te vinden in de Target2 balansen. De stand van zaken in juli 2012 is hieronder weergegeven  (bron: Universiteit van Osnabrϋck). De lijntjes in de figuur geven de Target-2 balansen van de verschillende Eurolanden weer. Duitsland heeft zo'n 650 miljard euro van het Eurosysteem tegoed, terwijl Spanje en Italie samen juist zo'n 600 miljard in het rood staan bij het Eurosysteem.


In de periode voor 2008 waren de vorderingen van de individuele Eurolanden op het Eurosysteem beperkt en redelijk stabiel, ondanks een groot exportoverschot van de noordelijke naar de zuidelijke Eurolanden. Dat kwam doordat de noordelijke Eurolanden het geld dat ze verdienden met dat overschot weer investeerden in de zuidelijke Eurolanden. Met andere woorden, de geldstroom van de zuidelijke naar de noordelijke Eurolanden voor de betaling van die overschotten werd min of meer opgeheven door een tegengestelde stroom aan investeringen.

Uit de voorgaande figuur blijkt dat deze situatie sinds het losbarsten van de kredietcrisis en vooral sinds het begin van de Eurocrisis radicaal is gewijzigd, vooral voor wat betreft Duitsland, Spanje en Italië. De snelle stijging sinds medio 2011 van de netto bezittingen van de Centrale bank van Duitsland is kennelijk vooral het gevolg van de snelle stijging van de netto verplichtingen van Spanje en Italië. Dat valt te verklaren uit kapitaalvlucht uit Spanje en Italië naar Duitsland. Het gevolg van die kapitaalvlucht is dat de centrale banken van Spanje en Italië een grote verplichting aan het Eurosysteem hebben opgebouwd en dat het Eurosysteem een grote verplichting heeft opgebouwd aan de Duitse centrale bank.

De ECB is indirect verantwoordelijk voor deze geldvlucht naar Duitsland. Door noodlijdende banken in zuidelijke Eurolanden te voorzien van kredieten maakt ze het de schuldeisers van deze banken mogelijk om hun geld terug te halen en naar Duitsland te sluizen. Daarmee zadelt ze Duitsland indirect op met haar toenemende claim op het Eurosysteem. Stel dat er een aantal zuidelijke Eurolanden failliet gaat, zal Duitsland dat geld dan ooit nog terug zien? Zullen de overige Eurolanden hun garantstelling dan willen en kunnen waarmaken? 

In het volgende artikel, Minsky moment, ga ik in op het ontstaan van ernstige financiële crises zoals de Grote Depressie in de jaren dertig en de crisis waar we nu inzitten.

© Anton van de Haar - september 2012


Copyright © 2016 Anton van de Haar. All Rights Reserved.